Maandelijks archief: mei 2011

Klei-ne bol-le-kes ijs!

DOOR Marcel van Roosmalen | nrc.next 25 mei Werk & Geld
Marcel van Roosmalen leert over ‘behandelingsstrategieën bij obese kinderen’.
 
 Te gast bij Cure & Care Development (CCD) in het Rijnpoort-gebouw in Arnhem. Directeur Hanny Knuppel, een vlotte vijftiger in een rode designjurk, ontving ons in haar kantoor voor de achtergrondinformatie. De aandacht werd getrokken door honderden ordners in de boekenkast, keurig op kleur gesorteerd. CCD organiseerde workshops voor ‘deskundigen op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg om de nieuwste ontwikkelingen te delen’.Fotograaf Jan-Dirk en ik waren meer dan welkom bij de workshop ‘behandelingsstrategieën bij obese kinderen’. Cursusleidster was de Belgische Caroline Braet, volgens directeur Knuppel ‘een absolute autoriteit’. Ze stond op en zeulde een boek van haar bureau naar de tafel. Het was het verzameld werk van professor dokter Caroline Braet en haar collega professor dokter Susan Bogels. We moesten het maar eens doornemen. Ik bedankte voor het cadeau, ‘Protocollaire behandelingen voor kinderen met psychische klachten’ was het dikste boek dat ik ooit gekregen had.

Om alvast in het onderwerp te groeien, gingen we eten in de kantine. De keuzemogelijkheden waren er enorm. Directeur Knuppel ging aan de kroket, ik beperkte me tot voorverpakte salades, kaas en vers afgebakken brood.

We maakten kennis met cursusleidster Caroline Braet, een slanke Belgische. Ze had haar lunch al op. Ze had Spa Blauw gegeten en keurde de producten op onze dienbladen.

„Gezien vanuit de blik van iemand die begeleiders van obese kinderen instrueert en gesteld dat u beiden obese kinderen zijt ben ik gelukkiger met de inkopen van Knuppel.”

Hanny Knuppel: „Als ik wil afvallen, eet ik kroket.”

Cursusleidster Braet begon over de groep cursisten. Heel divers: diëtisten, psychologen, een orthopedagoog en zelfs een fysiotherapeut. Ze hadden tijdens de ochtendsessie ademloos geluisterd. ‘Typisch Nederlands’ vond ze dat. „Ze hadden ook allemaal mijn dikke boek gelezen. Eentje zei er eerlijk dat ze pas op bladzijde 65 was, ik zal haar straks aanwijzen. In België doen ze dat niet. Daar gaan ze gewoon zitten. De verdieping komt daar pas achteraf.”

In het Rijnpoortgebouw waren alle lokalen naar rivieren genoemd, we moesten naar de Rijn-kamer. Het publiek bestond uit hoogopgeleide vrouwen die dagelijks te maken hadden met de behandeling van te dikke kinderen. Ze zeiden niets, professor Braet sprak, alles wat ze zei werd opgeschreven.

Obese kinderen, het was een omvangrijk probleem waar je veel over kon zeggen. Professor Braet nam ons mee naar de prehistorie, waar de lichamen van onze voorouders leerden om zoveel mogelijk vet op te slaan voor de barre winter. „Met die genen-erfenis zitten we nog steeds.”

Braet was een groot voorstander van de ‘positieve aanpak’. Ze liet een groot papier rondgaan – „Bij het kopiëren heb ik per ongeluk op de A3-knop gedrukt” – waarop het ‘eetdagboekje’ van een te dik Belgisch meisje stond. Ze begon de dag met een wafel en eindigde met twee kleine bolletjes chocolade-ijs.

„Zoek daar nu eens de positieve punten uit voor een gesprek”, zei Braet.

Dat was moeilijk, ik werd vooral getroffen door het lelijke handschrift en de zeventien spelfouten, maar dat was beroepsdeformatie fluisterde professor Braet.

„Ik heb dat zelf ook, dat ik ergens naar kijk en dan pas later constateer dat ik mijn beroepsdeformatie-bril op had.”

Even later tegen de groep: „Klei-ne bol-le-kes ijs! Aan-maak-li-mo-na-de, met wa-ter! Een glas Pepsi, geen fles!”

Er ging een schaal koekjes rond.

Na een vrij theoretische verhandeling van ‘het milkshakemodel’ en ‘het probleem van de externe etertjes’ werd het praktisch. In tweetallen werd de casus van een te dik meisje nagespeeld. Een van de vrouwen speelde het meisje, de andere de hulpverleenster bij het intakegesprek. De cursisten leefden zich helemaal uit. Het lokaal vulde zich met piepgeluiden van volwassen vrouwen die kinderen nadoen. De hulpverleenster naast me piepte: „Ik heb zin in koek! Ik heb zin in koek!”

Professor Braet zakte door de knieën en zei: „Ze komen los! Ze vergeten de tijd, ze gaan helemaal op in hun rol! Dit is hulpverleensters eigen! Nu betreden ze hun vakgebied.”

We bestudeerden de hulpverleensters.

Braet sprak erover alsof we in Afrika naar een roedel wolven keken. „Kijk!”, fluisterde ze. „Die daar, met dat bloemenshawltje om de hals, die komt nu d’r schulp uit. Ja, hup, en nu het vakgebied induiken! Rechtop zitten, de oren gespitst… en kijk die lichaamstaal… Fier!”

Daarna vertelde ze dat ze de workshop er die dag een beetje doorheen jaste omdat ze dezelfde avond in Antwerpen met haar dochter naar een concert van Marco Borsato ging. „Ik zie daar naar uit.”

De intakegesprekjes werden klassikaal geëvalueerd.

„Ik vond mijn hulpverleenster heel prettig”, zei een van de cursisten over haar buurvrouw die bloosde van het compliment.

„Is er een beloning voor beter eet- en beweeggedrag afgesproken?”, wilde professor Braet weten.

„Ja”, zei de hulpverleenster. „Ze wilde graag een bikini als ze het een paar weken volhield. Ik heb ‘ja’ gezegd: een bikini stimuleert zwemgedrag.”

„Ahaaa!”, zei professor Braet, waarna ze aankondigde dat ze een vinger op de zere plek ging leggen. „Beloof obese kindertjes liever een badpak! Dat voorkomt een trauma.”

Schrijver Marcel van Roosmalen neemt wekelijks een kijkje op de werkvloer. Wil je Marcel op bezoek? Mail naar werk@nrc.nl

 

 

 


Het publiek bestond uit hoogopgeleide vrouwen die dagelijks te maken hadden met de behandeling van te dikke kinderen. Foto Jan-Dirk van der Burg

 

 

 
 

Onder pokerspelers (Varagids, november 2008)

 

 

Onder Pokerpelers

De Everest Poker Lounge
De Everest Poker Lounge

Eerder dit jaar belandde ik bij het grootste en belangrijkste pokerevenement ter wereld: de World Series of Poker – kortweg WSOP – te Las Vegas. De hoofdsponsor van dat evenement – Everest Poker – had uitnodigingen verstuurd naar belangrijke journalisten. We zaten in grote, bruine kamers van het Rio All Suites Hotel & Casino, waar de wereldkampioenschappen werden gehouden. Van de organisatie hoefden of moesten we verder niets, maar journalistiek gezien kon het interessant zijn om af en toe de Everest Poker Lounge te bezoeken. Want daar kwamen de topspelers drankjes drinken. En er was iedere avond wel ergens een feest.

Qua kijksport viel poker nogal tegen. Op televisie is het wel leuk, maar live… Het grote nadeel was dat je niet kon zien wie welke kaarten had. Je keek van achter een hekje naar mannen en vrouwen met zonnebrillen op het hoofd, die in hun kaarten keken en met fiches schoven.
In de Everest Poker Lounge ontmoette ik de spelers. Ze hadden twee gespreksonderwerpen: 1) poker, 2) feestjes. Raar doen, er raar uitzien en het hebben van een bijzonder imago was belangrijk voor ze.

Voitto Rintala
Voitto Rintala

De Finse speler Voitto Rintala (31) had lang haar – ongeveer een halve meter – dat in vette slierten langs zijn hoofd hing. Hij waste het tijdens toernooien nooit. In zijn ogen zaten lichtgevende lenzen. Het geheel zag er angstaanjagend uit. Mooi vond hij het niet, maar het gaf hem wat bijzonders, vond hij. Hij lag in de lounge op een bank en vertelde over het toernooi. Hij had in een potje twee boeren gehad. Een klaveren en een harten boer.
“En toen viel er dus eerst een vrouw, een koning en een aas en daarna nog een boer. En daarna een acht. Verloor ik, terwijl ik drie boeren had. Ongelooflijk.”
Hij was al een uur bezig om dat te verwerken. Dat soort verhalen hoorde je in de spelerslounge. Je werd er gek van.

Een Nederlandse pokerspeelster rookte in de rookzone de ene filtersigaret na de andere. Ze was sinds kort professioneel pokerspeler zonder sponsor. Online had ze in een paar uur tijd 42.000 dollar verloren. En op weg naar het Rio was ze op straat haar inschrijfgeld voor de WSOP – tienduizend dollar – kwijt geraakt. Gelukkig stonden haar ouders volledig achter de stap van hun dochter. Ze liet een sms’je van haar moeder zien. Volgende keer beter! Kusje, mam.
Ze had alvast een Zwitserse bankrekening geopend, waarop ze eventuele winsten wilde parkeren. Het leukste aan de pokerwereld vond ze ‘het leventje’. Het leventje was met elkaar heel veel geld uitgeven. Dat klonk decadent, besefte ze, maar als je op een middag in je hotelkamer met een paar muisklikken 42.000 dollar verloor, maakte het echt niet uit als je een keer een fles champagne van achthonderd dollar kocht. Ze was heel anders naar geld gaan kijken. Muntgeld vond ze ‘drie keer niks’.
“Ik geef het weg of ik gooi het in de prullenbak. Maar goed, als ik zo door ga, houd ik van mijn startkapitaaltje niets over. Dus dan ga ik er waarschijnlijk anders tegenaan kijken.”

Zelf ging ik er ook anders tegenaan kijken. Buiten was het vijftig graden. Dus ik ging het ook maar eens proberen, dat pokeren. Aan de cashtafels, vol Amerikaanse gelukszoekers, die al spelend het inschrijfgeld voor het main event bij elkaar probeerden te spelen. Ik zat urenlang aan tafels met bijzondere Amerikanen. En ik verloor uiteindelijk alles. Op een ongelooflijke manier, dat wel.
Vanaf dat moment was ik veroordeeld tot de Everest Poker Lounge, waar de pokerprofs tussen het spelen door rondhingen en spraken over ongelooflijke kaarten, die ze op een ongelooflijke manier hadden gewonnen of verloren.
De andere journalisten hadden ook alles verloren. Behalve Bert van Tubantia, die was naar een mall gegaan en had daar voor de rest van zijn leven spijkerbroeken gekocht. Levi’s. Hij omschreef de shopping mall.
“Heel grote winkels, verder geen hol aan. En shag kun je nergens krijgen.”
Gelukkig was er in de lounge een tafelvoetbalspel.

Na vijf toernooidagen kwam de beroemdste en beste Nederlandse pokerspeler allertijden speelkaarten signeren in de Everest Poker Lounge. Hij was al uitgeschakeld – “op een verschrikkelijke manier” – maar had in zes weken Amerika bij allerlei ‘side-events’ toch dertigduizend dollar bij elkaar weten te kaarten.

Er vormde zich een rij voor Marcel Lüske. Hij was een man van 55, die z’n zonnebril omgekeerd op het hoofd had staan. Verder droeg hij een duur grijs pak. Van Armani.
‘Flying Dutchman’ was zijn bijnaam. “ik ben Hollander en ik kom hier met een vliegtuig. Dat hebben de Amerikanen opgepikt”, legde hij uit. Ik mocht een halfuur later terug komen voor een interview.

Een half uur later. Marcel had inmiddels een lamme poot van het handtekeningen zetten. “Ik ben heel populair hier.” Zijn familie had altijd een beetje denigrerend gedaan over zijn kaartcarrière. “Had ik ze een keertje uitgenodigd in Vegas, vonden ze het toch wel mooi om te zien dat ze mijn bestormden. Echt waar.”

Van welk blad ik ook al weer was? VARAgids. Hij herhaalde het antwoord. “Dus jij bent een Marcel van de VARAgids. Toevallig.”
“Leest de belastingdienst dat?” Tijdens werktijd waarschijnlijk niet. Als ze thuis waren misschien wel. Vond Marcel geen goed nieuws. Hij had veel pokertoernooien gewonnen en was rijk geworden door het pokeren. Of erg rijk… Wat was rijk? Dat kon je in deze tijd dus niet meer zeggen… Want dan kreeg je weer gezeik met “de hyena’s van de belastingdienst, die allemaal van de pot gerukt zijn.”
“Ze hebben geen benul van onkosten als buy-ins, hotels en cashgames.”

Wat ik van de belastingdienst vond? Ik was niet enthousiast. Marcel pakte me vast. Had ik goed verwoord. Heel goed verwoord zelfs. Hij zei: “Met jou kan ik lullen, met jou kan ik lullen!”
Ik knikte. Met mij kon je lullen. Of beter gezegd: tegen mij kon je lullen, want in dit gesprek zei ik niet zo veel.

Marcel Lüske
Marcel Lüske

Op mijn eerste vraag – “Waarom heb je in godsnaam een zonnebril omgekeerd op je hoofd staan?” – kreeg ik een drie kwartier durend antwoord dat begon bij het begin: zijn geboorte. Het was geen gemakkelijke bevalling geweest. Hij was nummertje zoveel. Hij groeide op in een groot Amsterdams gezin. Ze waren arm. Hij ging al jong de handel in. Damesondergoed op de Albert Cuypmarkt en op de Dappermarkt kerstbomen met kluit. Hoewel hij geen echte drinker was – alleen Bacardi Cola – nam hij daarna een café bij de Dappermarkt over. Marcel spreidde de armen. “Horecaleven…? Ver-schrik-ke-lijk! Je moest de hele tijd diploma’s halen. Middenstands, horeca, hygiëne 1, hygiëne 2…”
In die fase ontdekte hij het pokeren. Hij had z’n hele leven al gekaart, want dat doe je in een groot gezin in Amsterdam. En in de kroeg.
Hij was er goed in en werd zo’n beetje de eerste professionele pokerspeler van Nederland. Daar had hij z’n hele leven voor gewerkt. Keihard voor gewerkt. Want pokeren was geen gokken, zoals ze van de belastingdienst, die zelf nog nooit gekaart hebben, tegenwoordig beweren.

“Nu het populair is, gaan ze op pokerspelerjacht. Alsof het toeval is dat steeds dezelfde mensen winnen. Of vind jij het wel een geluksspel? Jij lijkt me geen domme jongen, vind jij het geluk?”
Ik was even stil. Daarna zei ik dat je wel veel pech kon hebben bij pokeren. Dat had ik zelf meegemaakt. Marcel sloeg me op de schouder. Je moest er anders tegenaan kijken. Hij had ook wel eens een pechdag. Ook wel eens een pechweek. En zelfs een pechmaand.

Maar op de lange termijn wonnen de goede spelers en verloren de slechte. Hij begon aan een vergelijking. “Die man met die ballen op de kermis, dat je drie keer mag gooien, die ken je? Waar leeft die van? Van de mensen die mis gooien! Ik ben de man op de kermis. Ik leef van de mensen, die slechter kaarten dan ik. En nou zeggen die #%%&*(&$&-beesten, want dat zijn geen mensen meer, van de belastingdienst: het is geluk. Alsof zij de fiets hebben uitgevonden… Nee, die willen eventjes alles komen afpakken. Alleen maar omdat je beter bent dan de rest. De complexheid van het spel ontgaat ze. Een geoefende speler kan veel sneller en nauwkeuriger reageren, met een ongekende precisie.”

“Gaan ze dan ook naar Ajax? Gaan ze daar ook zeggen dat ze wel heel veel geluk hebben gehad de laatste honderd jaar en of de spelers alles wat ze verdiend hebben maar even willen inleveren? Wat vind jij daar dan toch van?”

Misselijk werd hij ervan. Echt misselijk. Hij hield van Nederland, maar af en toe dacht hij wel: wat ben je toch een klein land. En wat ga je toch slecht met winnaars om. “Als ze bij spelers die van het poker kunnen leven – laat het er vijftig zijn – belasting willen heffen, dan moeten ze die andere vijfhonderdduizend die kans geven hun verliezen van de belasting af te trekken.”

Hij ergerde zich weleens aan jonge spelers, die niet normaal met geld omgaan. “Dan gooien ze dollars uit het hotelraam. Of uit het raampje van de taxi. En dan denk ik: doe dat nou niet. Ik begrijp de ontlading wel, maar ik zou het zelf nooit doen. Dat geeft onze sport een slechte naam.” Hij nam een paar slokken jus d’orange.

“Maar goed, wat was je vraag?” Waarom hij in godsnaam een zonnebril omgekeerd op zijn hoofd had staan? “Ooo”, zei Marcel, “Gewoon omdat iedereen ‘m op z’n hoofd heeft staan. Ik dacht: ik doe dat anders. Daar zit dus wel een filosofie achter. Ook voor televisie. Jij bent toch van de televisie?” Hij wees naar een tv-ploeg. “Moet je daarmee gaan praten.” We namen afscheid. Ik wenste hem geen geluk, want het was geen gokken. Dat werd zeer op prijs gesteld. De mensen van de tv waren van Simpel Media. Ze maakten een programma voor RTL7. De presentatrice was blond en zei: “Waarom we het maken? Omdat er veel mensen naar kijken. En voor de rest is het een absurde wereld.”

Marcel van Roosmalen, VARAgids week 46, 2008

Gooi je advies nooit zomaar over de schutting

 

DOOR Marcel van Roosmalen | nrc.next 18 mei Werk & Geld
Marcel van Roosmalen was bij een trainingsdag voor jonge ambtenaren. Bij de workshop ‘Het Advies’ leren ‘kwetsbare’ jonge ambtenaren hoe ze adviesgesprekken moeten voeren

 


Een kamer verderop ging de extraverte acteur Gerard helemaal op in de rol van strenge directeur. Hij klemde een viltstift tussen zijn neus en lippen. Foto Jan-Dirk van der Burg

 

Voor de workshop ‘Het Advies’ naar het Meeting Plaza in Utrecht, een trainingscomplex voor managers en ambtenaren bij het Centraal Station. Trainster was Lonneke Zwinkels van JS Consultancy, een bedrijf dat met een ‘Jong Talent Programma’ jonge gemeenteambtenaren begeleidde in hun carrière.Ik zag er nogal tegen op.Lonneke en ik hadden moeilijke telefoongesprekken gevoerd. Zij vond gemeenteambtenaren „kwetsbaar”, zeker omdat ze aan het begin van hun carrière stonden. Bij het voeren van een adviesgesprek waren ze op hun kwetsbaarst. De aanwezigheid van pottenkijkers bij de oefeningen kon leiden tot het dichtslaan van gemeenteambtenaren, dat was voor niemand leuk.

Dat leek mij nou juist het leukste. Ik had nog nooit met kwetsbare gemeenteambtenaren te maken gehad, wel met overgevoelige.

Lonneke voelde „een afstand” en hoopte dat „we een brug konden slaan”.

We troffen elkaar bij een grote wok vol mie in het Meeting Plaza, het was lunchtijd. Lonneke was aardig, heel anders dan door de telefoon. Aan een ronde tafel zaten de kwetsbare ambtenaren, ze hadden de theorie tijdens de ochtendsessie goed opgepikt. Ze kwamen uit gemeenten als Boekel, Gemert-Bakel, Geldrop-Mierlo en Weesp, in de kantines daar was de lunch minder overvloedig.

Een vrouw van rond de dertig hapte in een appel en liet haar schrift met aantekeningen zien. Een adviesgesprek verliep via een aantal fases, het AAAA-model.

- Aanvang
- Analyse
- Aanbieden
- Afsluiten

Ze had nu al zin in het middaggedeelte, waarin werd geoefend met echte acteurs.

Ergens achterin de kantine waren cursusleidster Lonneke en haar collega Janette van JS Consultancy druk met het instrueren van de professionele acteurs, waarvan er eentje toevallig in de trein tegenover me had gezeten. Ze smikkelde er uitvoerig van een volkoren boterham met kaas, een beeld dat was blijven hangen.

Lonneke kwam na het overleg nog even naar me toe om uit te leggen dat het geven van advies voor een ambtenaar heel belangrijk was. Ze strooide met tips:

„Gooi je advies nooit zomaar over de schutting.”
„Advies is nooit onbegrijpelijk!”
En een heel belangrijke: „Als je geen advies hebt, geef dan geen advies.”

Ik kreeg ook een schema waar met grote letters ‘WEERSTAND’ boven stond. Eronder een wirwar van blokken en pijlen. „Stop het in de broekzak, neem het mee als houvast wanneer er een moeilijk gesprek op stapel staat”, had ze de ambtenaren voorgehouden. Eigenlijk moesten ze het papier altijd bij zich dragen, want: „Een adviesgesprek komt vaak onverwachts.”

Ze hoopte dat de gemeenteambtenaren nog net zo scherp waren als in de ochtend. „Na de lunch zakken ze vaak in.”

We verplaatsten ons naar een broeierig lokaal, waar de muren knaloranje waren. Sommige gemeenteambtenaren kregen er hoofdpijn van, maar ze verbeten de pijn. De acteurs stelden zich voor, Lonneke legde de oefening uit. Het klonk niet erg spannend – „Je krijgt een gesprek met een directeur die het nieuwe werken wil implementeren bij de gemeente. Daarna heb je een gesprek met een andere directeur met een andere visie. Probeer zoveel mogelijk informatie te verzamelen. Gooi zelf niet te veel informatie over de schutting, je weet niet wat er terugkomt.” – maar de gemeenteambtenaren waren enthousiast.

„Oefeningen als deze vind ik het fijnste”, zei een jongen in een streepjesoverhemd, „je gaat lekker concreet de diepte in.”

De groep werd gesplitst in subgroepjes en verspreid over paarse, groene en gele lokalen. Zelf bleef ik in de oranje ruimte waar een acteur als ‘directeur Pim’ een gesprek voerde met ambtenaren uit Geldrop-Mierlo en Weesp.

Het was saai, maar dat waren adviesgesprekken in het echt ook. Bij de evaluatie zei een van de ambtenaren: „Ik denk dat we er goed in slaagden om de informatie concreet te krijgen.”

Daarna met een zucht: „Het liefst zou ik het hele gesprek nog een keer terugspoelen…”
Trainster Lonneke: „Je gooit je advies nog te snel over de schutting, Marc…”

Een kamer verderop ging de extraverte acteur Gerard helemaal op in de rol van strenge directeur. Hij droeg een strak groen T-shirt over zijn buikje en bijpassende groene sokken.

„Hoe streng wil je ’m hebben?”, vroeg hij aan een ambtenaar.
„Behoorlijk streng”, antwoordde de jongen.

„Goed”, zei de doorgewinterde acteur en hij klemde een viltstift tussen zijn neus en lippen.
Er werd niet om gelachen.
Adviesgesprekken waren ‘serious shit’.

Schrijver Marcel van Roosmalen neemt wekelijks een kijkje op de werkvloer. Wil je Marcel op bezoek? Mail naar werk@nrc.nl

 

Oude shit, liften voor het blad Intermediair, zomer 2007

De laatste lifter: Marcel op zoek naar het nieuwe Europa

Deel 1: Van Haarlem naar Berlijn

Auteur: Marcel van Roosmalen | 25-07-2007 | Reacties: 2 | Share/Bookmark Mail dit artikel

L Liftend het avontuur tegemoet: Marcel van Roosmalen reist oostwaarts voor ontmoetingen met Europeanen. Deel 1: van Haarlem naar Berlijn. ‘U heeft geluk, op zondag is het hier kegelen.’

 Haarlem

 We spraken af op een terras in Haarlem. Hoofdredacteur Peter had een geweldig idee: ik ging deze zomer op zoek naar ‘de ziel van het nieuwe Europa’.
Als een soort Geert Mak zou ik oostwaarts reizen. Het moest liftend gebeuren. Want alleen dan zou ik op onverwachte plaatsen stuiten op gewone Europeanen met verrassende verhalen.
‘Een avontuur dus’, zei hoofdredacteur Peter. Hij was enthousiast op een manier zoals alleen hoofdredacteuren enthousiast kunnen zijn. ‘Rijd een stukje mee, noteer alles wat je ziet. Misschien mag je wel met ze mee naar huis.’

Amsterdam
Speciaal voor deze reis kocht ik een nieuwe, waterdichte rugzak. De verkoper in de Kalverstraat zei: ‘The North Face is de beste rugzak die bestaat. Wist u dat ze ‘m bij poolexpedities gebruiken?’
Nee, dat wist ik niet, maar ik vond het een geruststellend idee.
Mijn laptoptas paste erin. En verder nam ik al mijn onderbroeken, drie T-shirts, tandenborstel, tandpasta en deodorant, een regenjas, een spijkerbroek en een digitale camera mee.

Ik had geen zin. De laatste keer dat ik gelift had, was vijftien jaar geleden en de dagen voor vertrek herinnerde ik me hoe verschrikkelijk ik dat toen vond.

‘Waar ben ik eigenlijk mee bezig?’, vroeg ik fotograaf Martijn, die me tot de Nederlands-Duitse grens zou brengen. Hij wist het ook niet.
Onderweg maakte hij foto’s voor bij dit verhaal. Ik poseerde ter hoogte van de Utrechtsebrug in Amsterdam, bij de liftershalte in Nijmegen, en ergens bij Zaltbommel lag ik tussen de strobalen. Het stonk er. ‘Kijk Marcel’, riep Martijn toen hij klaar was met fotograferen. ‘Je lag bij een dood konijn.’
Even later poseerde ik ook nog met een karton, waarop ik ‘Help’ had geschreven. Er stopte meteen een auto. ‘Er is niets aan de hand hoor’, zei ik. Maar daarvoor stopte deze meneer niet. Hij wilde alleen even zeggen dat het verboden was om het verkeer af te leiden. Trouwens, langs de snelweg staan was ook verboden. Zo stond het in de wet. We bedankten voor de tip.

Kleef

Het was mijn idee geweest om in de Jugendherberge Kleve te overnachten. Dus klagen kon niet. Fotograaf Martijn verliet luid toeterend de parkeerplaats in het bos. En ik belde aan bij het huis van iemand die zichzelf Hausmeister Hans noemde.
Ik betaalde en hij bracht me naar een kamer. Daar was een bed en aan de muur hing een kopie van een bloem van Vincent van Gogh. Hausmeister Hans somde op wat allemaal niet mocht:
- Op schoenen lopen
- Lawaai maken
- Staand plassen
- Licht aan na tienen
- ‘s Avonds douchen
- Roken!

Hij vertelde wat hij met stiekeme rokers deed. Die gingen ‘sofort raus’. Op een open plek in het bos was een hutje waar je mocht roken. Verder maakte hij me attent op het volgende: na tienen werden de buitendeuren vergrendeld. Dat was misschien wat vreemd omdat ik de enige gast was, maar ik hoefde niet bang te zijn want de CiVi’s hielden de wacht.

CiVi’s waren jongeren die een soort maatschappelijke dienstplicht moesten vervullen. Een ervan was Brenda, een dik, zwaar opgemaakt meisje in een Lonsdale-sweatshirt dat ik trof in de rookhut.
Ze zei: ‘Hier mag niets.’ Ik knikte.
Een paar weken geleden was ze op een metal-feest in Rotterdam geweest. Ze was er uitgescholden en vroeg zich af of alle Nederlanders een hekel aan Duitsers hadden.

Die nacht sliep ik slecht. Ik was helemaal niet moe en wist niets te doen. Toen om 22.00 uur het licht uitging en ik zelfs niet meer naar de bloem van Vincent van Gogh kon kijken, ging ik uitrekenen hoe lang ik al onderweg was: 10 uur, 43 minuten en 24 seconden.

Appeldorn

Om 7.15 uur klopte Brenda, het meisje in het Lonsdale-sweatshirt, op mijn deur. Ik moest opstaan en de kamer uit. Want dat waren de regels. In de ontbijtzaal at ik een appel. Hij was groen en zuur.
Hausmeister Hans sloeg me op de schouder. Hij begon weer over het roken. Hij had gehoord dat het ongezond was. Maar hij had ook goed nieuws. Hij wilde me naar de Autobahn brengen. Welke richting moest ik op? Tja, wist ik veel. ‘Richtung Berlin‘, zei ik.
We reden met het witte jeugdherbergbusje door het gebied. Het landschap was prachtig ­ veel groen ­ er stonden minder huizen dan in Nederland en ik noteerde ook dat de koeien er veel dikker waren dan bij ons.
‘Dikke koeien’, zei ik tegen Hausmeister Hans. ‘Jaja’, zei Hans.

Daar stond ik dan langs de Autobahn. Ik pakte karton en een viltstift uit mijn rugzak en ging enthousiast aan de slag. Even later had ik een mooi bordje met ‘Berlin’ erop. Dat hield ik boven mijn hoofd.
Eerlijk is eerlijk: de lol was er snel af.

Het klonk vooraf allemaal zo eenvoudig: liften, instappen, praatje maken, de chauffeur op de foto zetten, vragen of ik bij hem of haar thuis of op het werk een kijkje mocht nemen…
De realiteit was dat ik vanwege slagregens onder een viaduct vluchtte en daar uren op mijn rugzak zat te bellen met bekenden. Ik zei dat het kloteweer was, dat liften verschrikkelijk was en dat ik nu letterlijk in het afvoerputje van de journalistiek was beland. Op de muur tegenover me stond ‘I wish you were dead‘ en ik was inmiddels zover dat ik zeker wist dat die boodschap voor mij bedoeld was.
Uiteindelijk sjouwde ik mijn waterdichte The North Face-rugzak naar het dichtstbijzijnde dorp.

Het heette er Appeldorn: ze hadden er een kerk, een café en een bakkerij. Eerst maakte ik een praatje in de bakkerij. Ik at er een croissant en een soort puddingbroodje en toen dat klaar was wist ik dat het de komende dagen bleef regenen, dat er over twee weken een vlooienmarkt was in Appeldorn, dat de vrouw van de bakker haar kleren liever in Venlo dan in Nijmegen kocht omdat de mensen daar vriendelijker waren, dat er in het dorp natuurlijk geen station was en dat er eens in de drie uur een bus kwam, maar dat die net weg was. En o ja, in Appeldorn was geen hotel.

Dan maar naar café Wirthaus Op den Huck. Anke, de dochter van de eigenaar, stond achter de bar. Ze schonk bier in grote glazen en zei wat er in de streek zoal te doen was: niets. Maar ik had geluk: het was zondag en dan was het kegelen geblazen. Die avond speelde Op den Huck een competitiewedstrijd tegen een team uit Duisburg. Anke zou ervoor zorgen dat ik met een van de Duisburgers mocht meerijden.
De rest van de avond dronk ik bier aan een tafeltje met uitzicht op de kegelbaan. In deze streek had ieder dorp een café met een kegelbaan. Toen de wedstrijd voorbij was, zongen de verliezers (Duisburg) een lied voor de winnaars. Dat was traditie.
Ik reed mee in de BMW van Nils Heinrich. Hij werkte bij een bank. Tja, waar moesten we het over hebben?
Kegelen.

Kort samengevat: er was ooit -­ lang geleden -­ een avond geweest in een klein Duits dorp waarvan ik de naam vergeten ben, dat Nils Heinrich zes keer achter elkaar alle tien de kegels in één worp omgooide. Zoiets was daarna nooit meer gebeurd.

Duisburg (1)

Het was nacht en achter de incheckbalie van het Ibis-hotel in Duisburg stond Sam, een enorme neger uit Chicago. Hij had vroeger in het Amerikaanse leger gediend en was daarna in Duitsland blijven hangen. Voor hem stond een wat oudere man in een grijs pak. Zijn hoofd liep rood aan. Zo boos was hij. Hij had via internet geboekt en moest meer geld voor zijn kamer betalen dan hem was beloofd. Er moest meteen wat gebeuren, schreeuwde hij.

Sam zei niets en schoof een roodwitte hotelfolder naar de man. Daarin stond dat al het hotelpersoneel trots was op de volgende belofte: alle problemen van gasten werden binnen een kwartier opgelost.
Er stonden tips in voor ongeduldige gasten:
1) 5 Minuten ruhig verschnaufen:
Ga in lotuszit zitten, sluit de ogen, ontspan u en adem rustig.
2) 5 Minuten fur neue Energie:
Houd uw rug recht, strek de armen en buig uw bovenlichaam zo ver mogelijk naar voren.
3) 5 Minuten Entspannung:
Trek uw benen op, leg uw kin op uw knieën en wieg van voor naar achter en van links naar rechts.

Sam tikte met zijn vinger op de drie tips, pakte een telefoon en ging met het management bellen.

Duisburg (2)
In de Ibis-hotelkamer waren de muren en de vloerbedekking zalmroze en alle meubels mintgroen. Vanuit het raam was het uitzicht een kantoorpand met spiegelende ramen. Op de mintgroene beddensprei lag een cadeau: een bijbel. Er lag een briefje bij: ‘Voor alle eenzame reizigers’. Was getekend: Die Gideons.

In de bijbel stond wie de Gideons waren. In de herfst van 1898 troffen twee handelsreizigers elkaar in een hotel in Wisconsin. Ze ontdekten dat ze alle twee christen waren en de avond vulde zich met gesprekken over het leven van Jezus Christus. Hoogtepunt was een gemeenschappelijk gebed. Tijdens het bidden gaf God hun de opdracht om bijbels te verspreiden onder eenzame reizigers. Sindsdien verspreidt een steeds verder uitdijende groep Gideons ­ – genoemd naar iemand uit het Oude Testament -­ bijbels in hotelkamers, pensions, wachtkamers, ziekenhuizen en gevangenissen.

Ik was vies, eenzaam en ongelukkig en behoorde dus tot de doelgroep, maar dat was niet genoeg. Na twee bladzijdes legde ik het cadeau van de Gideons in de minibar. Voor de volgende eenzame reiziger.
Ik stortte me op de ‘Crunchips Paprika’ uit het rieten mandje in de vensterbank en op de hoteltelevisie. Ook dat viel tegen. De chips waren met te weinig en op bijna alle achttien Duitstalige zenders waren erotische contactadvertenties of belspellen te zien. Er was een nieuwe variant: een bloot meisje presenteerde een spel waarbij je een Duits automerk met een A moest raden. Het had vijf letters en je kon sms’en of bellen. De winnaar kreeg een Mercedes. Het antwoord was ‘Audi’.

Duisburg (3)
Liften was in Duitsland niet (meer) normaal. Het gebeurde eigenlijk alleen nog sporadisch rondom de drie grote steden: Hamburg, München en Berlijn.
De Autobahn liep dwars door Duisburg. Ik stond er vijf minuten en ontmoette er twee mensen. De een was bioloog. Hij bestudeerde planten die in de berm groeiden. Er waren duizenden varianten. Wat de ander was, wist ik niet. Hij had een baard en vroeg om brood.
Toen kwam er ook een auto van het Ordnungsambt. Dat waren de stadswachten van Duisburg. Ze waren met twee en ze zeiden dat je niet zomaar langs een Autobahn mocht staan. Daar waren plekken voor. Waar die plekken waren, wisten ze niet.

Ik wilde een foto maken, maar dat mocht ook niet. Er was in Duitsland een wet die voorschreef dat je zoiets altijd eerst moest vragen.
‘Mag ik een foto maken?’, vroeg ik.
Het antwoord: ‘Nein.’

Duisburg (4)
Dominique Sak (29) uit Stuttgart droeg een zwart pak en zijn haren lagen in een keurige scheiding op zijn hoofd. Sinds zijn puberteit zocht hij naar antwoorden op vragen als ‘Waarom leef ik?’ , ‘Wat doe ik met mijn leven?’ en ‘Heb ik al geleefd?’
Dankzij de Scientologykerk was hij sinds zijn negentiende stabiel. Om wat terug te doen reisde hij nu samen met andere vrijwilligers door Duitsland. Ze stonden op markten met een Freier Stress Test.
We ontmoetten elkaar ter hoogte van de McDonald’s.
Of ik twee metalen handvaten wilde vasthouden? Ja.
Hij vroeg: ‘Ben je gelukkig?’ Ik: ‘Ja.’
Het apparaat begon meteen te piepen. De meter sloeg uit naar het rode gedeelte.
Hij: ‘Het apparaat zegt van niet.’
Toen moest ik aan een persoon denken.
Hij: ‘Het apparaat slaat uit. Aan wie dacht je? Aan je vrouw?’ Ik: ‘Ja.’
Hij: ‘Het geheim van een goed huwelijk is eerlijkheid.’ Ik: ‘Ik ben niet getrouwd.’
Maakte niet uit. Ik moest geholpen worden. Dominiques collega Christian werd nu heel eerlijk: ‘Kijk toch hoe je eruitziet. Jij houdt niet van jezelf.’ Godzijdank kon ik aan dat uiterlijk weinig doen.
Christian: ‘Het is maar een lichaam. Iets wat je gebruikt. Waar het echt om gaat, is je geest.’ Ik: ‘Ja! Daar gaat het om.’

Ik kocht voor tien euro het boek Dianetics van L. Ron Hubbard. Dat was een leidraad van 608 pagina’s om gelukkig te worden. Als ik beloofde om er dezelfde dag nog in te gaan lezen en als ik ook beloofde om de introductiecursus ‘De acht dianetics’ te volgen in Berlijn, mocht ik de volgende dag meerijden naar Stendal. ‘Ik beloof het’, zei ik. Christian: ‘Great!
De anderen droegen rode jasjes met gele opdruk. Christian zei tegen hen dat er een doel was bereikt. Ze kwamen naar me toe. Ik werd gefeliciteerd. Een meisje met een bril noteerde mijn telefoonnummer en zei geruststellend dat er bij haar in het verleden foto’s waren gemaakt waarop je negatieve energie kon zien.

In de hotelkamer propte ik alles in mijn blauwe rugzak. Ik was klaar voor vertrek. Daarna ging ik in bed liggen met mijn vuistdikke Dianetics-boek. Ik had een Nederlands exemplaar gekregen. Leidraad voor het menselijk verstand, stond er op de kaft. Ik probeerde het echt, maar kwam niet verder dan de zin: ‘Tijdens je vorderingen in de therapie zal het een avontuur zijn om te ontdekken waarom je deed wat je deed toen je het deed; om erachter te komen wat de oorzaak was van die duistere, onbekende angstgevoelens in de nachtmerries in je kinderjaren; om te weten te komen waar je ogenblikken van pijn en plezier lagen.’

L. Ron Hubbard schreef dikke boeken, maar kon niet schrijven. Ik legde het in de minibar naast de bijbel.

Stendal

Nou, op het hoofdkwartier in Berlijn waren ze inmiddels op de hoogte van mijn komst! Ik moest er zo snel mogelijk naar toe en vragen naar Reinhard Egy. Of ik het boek al uit had?
‘Het zijn meer dan zeshonderd bladzijden, Christian’, zei ik. ‘Dus eh…’
Gaf allemaal niets!
Ik zag er in ieder geval al een stuk beter uit. Minder grauw! Of ik de vrouw al had gebeld?
Nee. ‘Zie je wel’, zei Christian. ‘Daar zit het dus scheef.’
Was ook een cursus voor.
Of ik nog iets over mezelf wilde vertellen? Ja hoor. Kegelen, dat vond ik leuk. Er was ooit een avond geweest dat ik acht keer achter elkaar met één worp alle tien de kegels had omgegooid.
Christian: ‘Hoe voelde je je toen?’ Ik: ‘Goed!’
Christian: ‘Wil je je vaker zo voelen?’ Ik: ‘Graag.’
Verder spraken we over de acht dianetics, ‘emotie en levenskracht’, ‘prenatale ervaringen’, de schandalige manier waarop acteur en Scientology-aanhanger Tom Cruise in de Duitse pers werd behandeld en over het totaal verkeerde beeld dat veel mensen van Scientology hebben.

Naar dat soort verhalen moest ik maar niet luisteren. Het was nu tijd om me te focussen op ‘De brug naar clear‘. Nare en vervelende herinneringen moest ik wissen. Alsof het computerbestanden waren. Ik ging het binnenkort allemaal leren.
Uitgeput en lamgeluld bereikte ik Stendal, een stad die in de DDR-tijd bekend stond vanwege de leus ‘Stahlmöbel aus Stendal‘.

Ik stond uren bij de verkeerslichten in Stendal. Daar tegenover was een gokhal die 777 heette. Ik mocht meerijden met een Turk die potten augurken naar shoarmazaken bracht. Hij stopte na een paar honderd meter. ‘We zijn er.’
Ik liep weer terug naar de verkeerslichten.

Over liften schreef de Lonely Planet Eastern Europe: ‘Hitching is never entirely safe in any country, and we don’t recommend it.’ Wie toch ging liften, moest op het volgende letten:
- Accepteer nooit een lift van twee of meer mannen
- Stop je bagage nooit in de bagagebak
- Ga altijd naast een deur zitten
- Vraag chauffeurs waar ze naartoe gaan voordat je zegt waar je zelf heen wilt.
Ik zou graag het volgende willen toevoegen: laat nooit je portemonnee op het dashboardkastje liggen als je uitstapt om te plassen. Want dat deed ik. Pas in Berlijn kwam ik erachter dat de aardige man in de vieze spijkerbroek die me meenam al het geld en mijn ABN Amro-pas uit mijn portemonnee had gehaald.

De komende drie weken doet Marcel van Roosmalen verder verslag van zijn reis.

De laatste lifter (2): Marcel van Roosmalen op zoek naar het nieuwe Europa

Deel 2: Van Berlijn naar Frankfurt am Oder

M Met rugzak en duim naar het oosten, met onderweg veel verrassende ontmoetingen. Dat lukt tot diep in Duitsland. Daar wordt Marcel van Roosmalen beroofd. ‘Wist u dat Hitler een katholiek was?’

Berlijn

Het was 38 graden ­- een record voor Berlijn -­ en bij de fontein op de Alexanderplatz zaten honderden jongeren. Ze dronken bier uit grote bruine flessen en maakten muziek. Ik telde het muntgeld uit mijn broekzak (12 euro 35), kocht een fles bier en ging op mijn rugzak zitten.
Bellen maar weer. Eerst naar de ABN Amro-bank, want daar was ik verzekerd.
‘Ik ben beroofd!’, zei ik tegen een ABN Amro-mevrouw.
‘Oei, wat vervelend’, zei ze. Ze ging me direct doorverbinden.

De ABN Amro-bank kon niets voor me doen. Cash geld werd nooit vergoed en met spoed telefonisch geld overmaken naar een andere rekening ­- ik had nog een Rabobankpas -­ had geen zin. Het was vrijdagavond en tot maandagochtend waren alle banken dicht. Maar er was ook goed nieuws: het blokkeren van mijn ABN Amro-pas was geen probleem.
‘Houd de moed erin’, adviseerde de laatste ABN Amro-medewerkster me. ‘Onze ervaring is dat het altijd weer goed komt. U zult het tot maandag moeten uitzingen.’
‘Hoe dan?’, vroeg ik. Ze wist het niet en sloot af met: ‘Dat wordt survivallen.’

Ik sprak een agent aan en vertelde in mijn beste Duits wat er gebeurd was en waar.
Hij vroeg: ‘Sind Sie vergasst?’
Ik vond het een rare vraag, maar hij legde uit dat het de laatste tijd voorkwam dat lifters, maar vooral passagiers in de nachttrein naar Warschau, iets in hun gezicht gespoten kregen. Later werden ze wakker en was hun geld weg. Met wat voor iemand ik was meegereden? Nou, hij had een snor en hij droeg een vieze spijkerbroek en het was geen Duitser.
Ik dronk bier uit de fles, rookte een sigaret en belde met vrienden. Niemand kende iemand in Berlijn. Verder leefden ze erg mee. Ze zeiden dingen als ‘Nee hè, sukkel’, ‘Ga dan ook niet liften’ en het opbeurend bedoelde ‘Wel leuk voor het verhaal’.

Ik belde hoofdredacteur Peter.
‘En?’, klonk het enthousiast. ‘Waar zit je?’
‘Eh… Berlijn’, zei ik.
‘O ja, Berlijn’, zei Peter. ‘Geweldige stad, toch? Je zou een fiets moeten huren, dat heb ik vorig jaar met mijn vriendin ook gedaan. Dat is daar goed te doen.’
‘Bedankt voor de tip’, zei ik. Daarna vertelde ik hem dat ik mijn geld kwijt was.
‘En nu?’, vroeg Peter. ‘Heb je nog meer tips?’, vroeg ik.
Peter ging nadenken. Een kwartier later belde hij terug. Ik had geluk. God bestond: hij was 37, heette Jeroen Kuiper, schreef sinds kort over Duitsland voor Intermediair en hij woonde ergens bij Berlijn. Peter: ‘En deze ontzettend aardige jongen wil jou geld lenen.’

Erkner

Jeroen klonk inderdaad aardig. Hij bewoonde met vrouw en drie kinderen een enorm huis in Erkner, want daar was het goedkoop. Daar moest ik heen. In een internetcafé zocht ik op wat Erkner was. Het was een dorp in de voormalige DDR en er woonde behalve Jeroen bijna niemand.

In de oorlog werkten duizenden dwangarbeiders er bij SFK-Kugellagerwerk Schweinfurt, de grootste kogellagerfabriek van Duitsland. De fabriek -­ en bijna het hele dorp ­- verdwenen na een bombardement in 1944. Van de 1333 huizen werden er 1007 totaal verwoest. Na de oorlog kwamen er een nieuwe fabriek, VEB Plasta, en een opslagplaats voor chemicaliën, waardoor Erkner last kreeg van vervuild grondwater. Maar er was ook goed nieuws: het dorp was bereikbaar. Het was het eindstation van de S-Bahn.

Bij het Ostbahnhof gaf ik mijn laatste geld uit. Ik kocht een ABC-Karte, waarmee ik 24 uur onbeperkt mocht reizen, een bagel met kaas en spek en een ‘smoothie banana’. Dat laatste was volgens de verkoper iets bijzonders: geperste banaan met biologische yoghurt en ijs zonder suiker. Lekker was het niet, maar wel gezond.

In de wagons van de S-Bahn hing een raar luchtje. Verder was het er beter dan de metro in Amsterdam. De mensen zaten keurig op stoeltjes en staarden voor zich uit. Ze maakten geen troep of lawaai en niemand zat er met de voeten op de bank.

De tocht naar Erkner duurde vijftig minuten. Tegenover mij zat een wat oudere man in een lichtbruin pak. Op de stoel naast hem stond zijn leren tas. Telkens als ik naar hem keek, knikte hij met zijn hoofd. Ik knikte dan terug.
Of hij iets mocht vragen? Of ik Jezus kende?
Ja, wel eens van gehoord.
Hij heette Herr Schmidt en was die avond met een collega-Jehova’s-getuige langs galerijflats in Oost-Berlijn geweest. Het geloof verkondigen was iets wat je met z’n tweeën deed.
‘Stel dat er een halfnaakte vrouw opendoet en je bent alleen… Wat dan?’, vroeg hij.
‘Naar binnen gaan?’, zei ik.
Meneer Schmidt schudde het hoofd. ‘Daarom zijn we dus met z’n tweeën.’
Het was nog nooit voorgekomen dat er een halfnaakte vrouw in de deuropening stond en het was er ook nog nooit van gekomen dat hij iemand had weten te overtuigen.

In de DDR-tijd had hij vanwege zijn geloof in de gevangenis gezeten. Zoals alle Jehova’s getuigen wees hij de dienstplicht af. Dat was de reden dat er tijdens de nazitijd zoveel Jehova’s naar concentratiekampen waren gestuurd. ‘Wij zijn rechtlijnig’, zei meneer Schmidt. ‘Als alle gelovigen waren zoals wij was er geen Tweede Wereldoorlog geweest. Wist u trouwens dat Hitler een katholiek was?’
Waar ik vandaan kwam? Het antwoord ­- Nederland -­ riep gemengde reacties op. Na de val van de Muur ging de eerste buitenlandse reis van het gezin Schmidt naar Nederland.
‘Alkmaar, das war schön.
En de bollenvelden op de Keukenhof waren ook prachtig. Maar Amsterdam…
Nacht und Nebel. Daar heb ik voor het eerst junks gezien. We logeerden bij geloofsgenoten en ik heb ze gezegd dat de DDR zo slecht nog niet was.’

Jeroen Kuipers zat onder een schemerlamp in café Rosie. Hij schoof tweehonderd euro naar me toe. Daarna dronken we bier. In Erkner waren de wegen nog niet geasfalteerd.

Berlijn (2)

Het Park Inn Hotel Alexanderplatz was in de DDR-tijd het hotel waar buitenlandse gasten werden ondergebracht. Het casino op de 37ste etage zat er toen ook al. Het gebouw was omgebouwd tot een trendy hotel met meer dan duizend kamers. In ruil voor Jeroens geld, mijn paspoort en de belofte dat ik drie dagen later alles zou betalen, mocht ik er logeren.

Overdag doolde ik door de stad. Birgit en Bernd stonden iedere dag met spandoeken, een namaakvarken en beschilderde jassen op het plein bij station Friedrichstrasse. Ze voerden er een schreeuwerige oorlog met de Bratwurst-verkopers aan de overkant van het plein. Nietsvermoedende passanten met worst werden aangesproken op hun gedrag.

Ook ik werd worst etend onderschept en met behulp van pamfletten en bloederige foto’s in een multomap onderwezen over het dierenleed. Ze leefden samen met zestig anderen in een commune in Kreuzberg en aten daar vooral zelfverbouwde groenten en fruit. Als ik mijn Bratwurst weg zou gooien, maakte Birgit een alternatieve snack voor me.

Even later besmeerde ze een stuk bruin brood met kleverige bruine pasta uit een jampot. ‘Wat is het?’, vroeg ik.
‘We noemen het “linzenprutje van Birgit”‘, zei Bernd. Het was de bedoeling dat ik het op zou eten.
Ik nam een hap. ‘Na und?‘, vroeg Birgit. Tja.
Waar was ik mee bezig? Bijna geen geld, Bratwurst kopen, Bratwurst weggooien, boterham met linzenprutje van Birgit eten…

Op zoek naar antwoorden stond ik een paar uur later voor een met witte en blauwe ballonnen versierd pand aan de Otto Suhr-Allee. Samen met twee medestudenten doorliep ik er het introductieprogramma van de Scientology Church. We moesten langs panelen met teksten als ‘Das Reinigungsprogramm‘ en ‘Auditing‘ lopen. Reinhard Egy vertelde er verhalen bij en liet ons in luie stoelen zitten. Daarna startte hij een video, die alles zou verduidelijken. Ik keek naar toespraken van beroemde mensen die ik niet kende. Allemaal zeiden ze dat Scientology hun geholpen had om beter te leven. En ze waren ook allemaal voor wereldvrede.

Ik was ook voor wereldvrede en tegen oorlog, drugs, onderdrukking en Bratwurst. Dat vertelde ik Reinhard na twee uur video’s. En ik vertelde hem ook dat ik heel graag weg wilde en dat ik een andere keer terugkwam voor het Reinigungsprogramm. Hij prikte me met een vinger tussen mijn ribben. Dat was een truc om mij snel weer heel fit te maken. Het werkte niet.
Bij het weggaan kreeg ik een boekje: Der Weg zum Glucklichsein, Vernunft als Leitfaden zu einem glücklichen Leben, der auf gesundem Menscheverstand beruht.
Het stond vol korte verhaaltje met titels als ‘Morden Sie nicht’ en ‘Tun Sie nichts Illegales’.

Frankfurt am Oder

In hotel Park Inn werd om het kwartier op kamerdeur 2401 geklopt. Het was na twaalven en ik moest eruit. Een boze mevrouw meldde me door de telefoon dat er nog een rekening moest worden betaald. Ik moest mijn bagage achterlaten. Ik liep naar de pinautomaat van de Deutsche Bank aan de overkant van de Alexanderplatz. Onder de geldautomaat zat een man met een baard en een fles bier. Hij zei: ‘Hallo, ich bin’s: Karl Marx.’

Ik dacht na wat ik zou doen als er weer geen geld uit zou komen. Die Jeroen bellen? Of toch maar weer Peter? Nee, het was het beste om naar Intermediair te bellen en dan tegen secretaresse Simone zeggen dat ik was doodgeschoten, dat ik daarom stopte met liften en dat er helaas, helaas nooit een verhaal zou komen. Zij was altijd erg aardig en zou zoiets begrijpen.
Er kwam geld uit de pinautomaat. Ik pinde een heleboel want de hotelrekening moest enorm zijn. Ik had de avond tevoren de hele minibar -­ twee Milka-repen, een zakje zoute pinda’s, een zakje studentenhaver en een bekertje borrelnootjes -­ opgegeten. En o ja, ik had ook nog naar een film gekeken: Wem kannst du trauen?

Even later stond ik buiten. Het was veel te warm en mijn blauwe rugzak was te zwaar. Op de parkeerplaats voor het hotel stonden hordes jongeren met rugzakken. Ze spraken automobilisten aan. Of ze mee mochten naar Leipzig, want daar was een dancefeest.

Ik begon ook met het aanspreken van automobilisten. Het leek me leuker en minder vermoeiend dan langs de snelweg staan. Ene Andy Senosac, een wat morsige man van een jaar of zestig, wilde me voor twintig euro meenemen tot de Poolse grens. Leek mij een prima deal. Hij had bij de Kriegsmarine gezeten en zei dat hij in Mercedessen handelde. Daarna begon hij over het weer. Hij kon er goed tegen, tegen de hitte. Hij werd er alleen ontzettend geil van. Dus hij masturbeerde veel. ‘Tja, dat zal wel’, zei ik.
Of ik ook veel masturbeerde?

Ik begon over het landschap. Wonderlijk eigenlijk, dat er zo weinig mensen in het oosten van Duitsland woonden. Toch?
‘Sind alle ausgewandert’, zei Andy.
We zwegen. Hij reed 160 en ik had stiekem alvast 112 ingetoetst op mijn mobiele telefoon. Dat ging ik namelijk meteen bellen als ik verkracht zou worden. Maar dat gebeurde niet, want Andy viel godzijdank op blonde vrouwen met grote tieten. Daarvan had je er veel in Polen. Ik moest maar eens langskomen. Ik dacht aan de woorden van Peter. ‘Misschien mag je wel met de mensen mee naar huis. Leuk voor het verhaal.’
Ik nam me voor om bij de volgende stop een mes, een fles met gas en andere wapens te kopen. Ook leuk voor het verhaal.
Vlak voor de brug over de Oder, waarop de grens met Polen was, verliet ik de auto. Tijd voor ontspanning, vond ik. Ik ging een schnitzel eten bij een restaurant dat Zur Alten Oder heette.

De komende weken doet Marcel van Roosmalen verder verslag van zijn reis.

De laatste lifter (3): Marcel van Roosmalen op zoek naar het nieuwe Europa

Een winkel die Sigaret heet

L Liftenderwijs bereikt Marcel van Roosmalen het verre Polen. Waar allemaal Duitsers sloffen sigaretten kopen en naar de hoeren gaan. Deel 3: van Frankfurt am Oder naar Poznan. ‘Ik wandelde de brug over, liet mijn paspoort zien en was in Polen. Daar werd ik meteen aangehouden.’

 

Frankfurt am Oder (1)

Bij restaurant Zur Alten Oder liepen de serveersters erbij alsof het 1950 was: in bloesjes met bloemmotief en pofmouwen, een blauwe rok en daarover een schort. De haren zaten met ingewikkelde vlechten in een knot.
Op het gazon stonden acht tafeltjes, die helaas allemaal bezet waren. Als ik wat wilde eten, moest ik achter een gietijzeren hekje wachten tot er een tafeltje vrij kwam.
Omdat ik een T-shirt droeg met de tekst ‘Schaapscheerderfeest Rheden 2004′ werd er naar mij geroepen.
‘Nederlander?’
Ja, Nederlander.
Of ik erbij kwam zitten?
God, wat was ik blij met wat aanspraak. Ook al was het dan van Bart en Toon. Ze kwamen uit Brabant en droegen groene shirts waarop met witte letters ‘GMH’ stond. Wat dat betekende weet ik niet, maar Bart en Toon waren in Frankfurt am Oder gedetacheerd om er bij een bedrijf een computernetwerk te installeren.
Ik kreeg de volgende informatie: Frankfurt am Oder was ‘kut’ ­- ‘Geen reet te beleven, behalve café Tolero’ -­ er was hier een muggenplaag, de Nederlanders hadden in de Tour nog niets gewonnen, Ajax werd landskampioen en als ik bier wilde, moest ik ‘Frankfurter’ bestellen, want Heineken kenden ze hier niet.
Een serveerster kwam. Ik bestelde: Forester Schnitzel, Kartoffelnsalat en een Frankfurter. Daarna had ik gesprekken, die achteraf bezien beter niet gevoerd hadden kunnen worden. De twee reisden de hele wereld over vanwege de computers. En omdat ze overal geweest waren, hadden ze over al die landen een mening.
Oostenrijk: ‘Saai’.
China: ‘Vies eten.’
Bulgarije: ‘Mooie vrouwen.’
Roemenië: ‘Vies.’
Polen: ‘Slecht geregeld.’
Rusland: ‘Asociaal.’
‘En Duitsland?’, vroeg ik.
Bart: ‘Nou, beter dan Japan. Daar is ‘s avonds helemaal niets te doen.’
Ik: ‘Nee?’
Bart: ‘Ja, in Tokio.’

Frankfurt am Oder (2)

Het Stadion der Freundschaft had een grote sintelbaan en kon wel wat verf gebruiken. Al was het maar om alle Keltische kruizen en runentekens te verwijderen. Hier speelde PSV ongeveer 25 jaar geleden voor de UEFA-cup tegen FC Vorwärts Frankfurt. Er werd verloren ­ met – 1-0 - ­ en het stadion was uitverkocht.
Hoewel de supporters het team nog steeds Vorwärts noemen, heet de club tegenwoordig FC Viktoria 91 Frankfurt (Oder). In het Stadion prikten vrijwilligers die middag vuil op de tribunes. Er werd vooral gemopperd op de spelers, de trainer en het bestuur en al snel bleek dat de clubgeschiedenis nogal ingewikkeld was.
De club werd in 1951 opgericht als KVP Vorwärts Leipzig. Om politieke redenen verhuisde de club naar Berlijn en werd ZSK Vorwärts Berlin. Later werd de club geadopteerd door het leger en veranderde de naam in ASK (Armee Sport Klub) Vorwärts Berlin. In 1971 verhuisde de club uiteindelijk naar het Stadion der Freundschaft en na de eenwording van Duitsland volgde de laatste naamswijziging. Reden: er was geen Oost-Duits leger meer.
Inmiddels is het zaakje afgezakt naar een bedenkelijk niveau: vijfde klasse Oberliga. Veel toeschouwers komen er niet meer en zij die er wel zijn, staan bekend als nogal radicaal.
De papierprikkers haalden vooral herinneringen op. Of ik de groeten wilde doen aan PSV? Tuurlijk, groeten terug.

Slublice (1)

Tot 1945 heette Slublice Dammvorstadt en was het een wijk van Frankfurt am Oder, maar de beslissing van de geallieerden dat de Oder voortaan de grens tussen Duitsland en Polen zou vormen, had tot gevolg dat Slublice Pools werd.
De grens tussen de twee landen lag op de Stadtbrücke. Ik wandelde de brug over, liet mijn paspoort zien en was in Polen. Daar werd ik meteen aangehouden. Ik had grenswachters gefotografeerd en dat mocht niet. Een boze douanier nam mijn digitale camera in beslag. Nadat alle foto’s waren gewist en ik mijn excuses had aangeboden, mocht ik verder.
Ik vond Slublice een stom dorp. Eigenlijk waren er alleen maar sigarettenwinkels, slijterijen en kapsalons. De Polen die er werkten, droegen trainingsbroeken en spraken iedereen aan in het Duits. Logisch: al hun klanten kwamen uit Duitsland. Een pakje sigaretten was hier bijna twee euro goedkoper dan in Frankfurt am Oder.
Ik liep een winkel binnen die ‘Sigaret’ heette. Vóór mij was een meneer uit Jena. Hij bestelde 25 sloffen Marlboro en voor de vrouw 20 sloffen Gauloise Rood. Ik constateerde dat meneer meer rookte dan mevrouw en wachtte geduldig op mijn beurt.
‘Na und?‘, vroeg de vrouw met het geblondeerde piekhaar, die achter de toonbank stond en ze pakte alvast een witte plastic tas.
Mijn bestelling ­- een pakje Marlboro ­- viel tegen. De plastic tas legde ze zuchtend terzijde. Ik vroeg of het vaker voorkwam dat mensen maar één pakje kochten. Nee, zoiets gebeurde nooit. Ik was een heel slechte klant.
Nee, dan de Duitsers! Slublice werd er rijk van. Ze kwamen met dure auto’s, kochten tassen sigaretten en dozen met drank en completeerden zo’n dagje uit met een bezoek aan de kapper en de prostituee. In die volgorde.
In Slublice waren heel veel kapsalons en nog meer prostituees. De vrouw met het geblondeerde piekhaar vond dat een groot probleem. De hoeren van tegenwoordig kwamen uit Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland en ze deden alles voor weinig geld. In het hele dorp werd op de raarste plekken seks bedreven.
‘Tjongejonge’, zei ik en ik vroeg waar de gezellige terrasjes waren, want ik had zin in Pools bier. Het antwoord was duidelijk: in Slublice waren geen gezellige terrasjes. Alleen bij hotel Kaliski kon je buiten eten. Daar moest ik maar naar toe.

Slublice (2)

Hotel Kaliski was mintgroen en ze hadden er een soort parkeerplaats, waar houten banken stonden. Onder enorme parasollen, zo groot dat je de blauwe lucht niet meer kon zien, zaten Polen aan houten tafels. Ze dronken bier en aten vlees. Je kon hier alleen grote stukken vlees eten, vertelde de ober.
Voor een broodje moest ik naar de Aldi-supermarkt in het overdekte winkelcentrum. Als ik beloofde twee flessen bier te drinken, mocht ik het op de parkeerplaats opeten.
Het overdekte winkelcentrum herbergde naast de Aldi een drogist, een dameskapper en drie herenkappers. Eerst ging ik naar de drogist. Ik wilde deodorant, want ik vond dat ik stonk. Voor de winkel lag een vrouw languit op de grond te bedelen. Er zaten vlekken op haar roze joggingbroek en het koste me moeite over haar heen te stappen. De vrouw van de drogisterij zei dat het een zigeunerin was en dat ik, als ze mijn enkel zou pakken, maar moest schoppen. Ze adviseerde het iedereen en het was een probaat middel gebleken. Ik moest geen medelijden hebben: het was allemaal Spiel.
De Aldi zag er hetzelfde uit als een Nederlandse Aldi: alles lag schots en scheef in dozen op schappen. Alleen ging hier om de twee minuten een sirene, waarna een meisje in een lichtblauwe Aldi-jurk met een microfoon op een verhoging ging staan. Ze schreeuwde dan iets over wasmiddelen.
Ter hoogte van de bananenyoghurt bij het koelvak werd ik aangesproken door een vrouw met kastanjebruin haar. Ze had alleen een pak koekjes ­- chocolade wafels -­ in haar kar en vroeg: ‘Seks?’
‘Nein’, zei ik.
Daarna liep ze weer door. Richting chips.
Ik betaalde voor vier Duitse broodjes en een pakje smeerkaas in euro’s en kreeg zloty’s terug.

Op de weg terug naar hotel Kaliski merkte ik dat ik mijn telefoon kwijt was. Een nieuw dieptepunt. Ik rende terug naar het winkelcentrum, sprong soepel over de zigeunerin heen en vroeg de vrouw van de drogisterij of ze een telefoon had gevonden. Nee, natuurlijk niet. Bij de kassa van de Aldi keken ze even op de grond. Niet gevonden.
Woedend op mezelf beende ik door Slublice. Het moet een raar gezicht geweest zijn: ongeschoren man in trainingsbroek met in de ene hand een rugzak en in de andere een zak Duitse broodjes loopt ‘Sukkel-sukkel-sukkel’-zeggend door een Pools dorp met alleen maar kapsalons, slijterijen en sigarettenwinkels.
Bij hotel Kaliski bestelde ik een fles bier; ik vroeg om een mes zodat ik mijn broodjes kon smeren. De ober bracht het allemaal en hij had nóg een verrassing: mijn telefoon.

Slublice (3)

Was het de Forester Schnitzel? De kebab, die ik ‘s avonds in Hotel Kaliski at? Of gewoon buikgriep? In ieder geval was ik in lange tijd niet zo ziek geweest. Ik had koorts en erger nog: diarree. Later, toen ik in Krakau logeerde, schreef ik een stukje over deze ervaring. Het heette ‘In bed gepoept’, maar het leek me niet geschikt voor Intermediair. Eigenlijk voor geen enkel medium. In ieder geval: de diarree was heel erg, ik had koorts en ik had in korte tijd een hele hotelkamer vies gemaakt.
Ik bestelde een dokter.
Of ik cash of met creditcard betaalde?
Cash.
Euro’s of zloty’s?
Met euro’s.
Hij kwam meteen.
De dokter was dik en had een baard. Hij luisterde naar mijn hart. Dat deed het nog. Het onderzoek duurde tien minuten. Daarna constateerde hij twee dingen: ik had koorts en ik had last van Durchfall. Durchfall was Duits voor diarree. Hij zei dat het drie dagen zou duren.
Ik moest bij de apotheek in Frankfurt am Oder pillen halen. En verder moest ik vooral veel cola drinken, want cola ‘schuurt de maag lekker schoon’.
‘Echt?’, vroeg ik, want ik vond het een raar advies.
De dokter knikte. Als hij op zijn auto ­ hij had een Saab ­ een roestige plek zag, behandelde hij die ook met cola.
Ik was gerustgesteld.

Frankfurt am Oder (3)

De volgende dag sukkelde ik over de brug. Terug naar Frankfurt Am Oder. Daar verbleef ik drie nachten in het City Park Hotel. Ik lag er de hele dag in bed, dronk liters cola en bekeek alle speelfilms van betaaltv-zender Première. Ik kreeg in deze periode ook nog telefoon. Een goede vriend belde. Hij zat met het gezin in een bungalowpark in Limburg en verzuchtte: ‘Wat heb jij toch een heerlijk leventje…’
De andere gasten in het City Park Hotel waren bijna allemaal mensen die, net als ik eigenlijk, voor hun werk in Frankfurt am Oder waren. Het waren vooral bankmensen, vertegenwoordigers en computerdeskundigen.
Toen ik mezelf genezen had verklaard, ontmoette ik bij het avondeten Dieter.
Ik vond dat hij veel bier dronk.
En hij vond dat ik veel cola dronk.
Dieter repareerde pompen. Ook al zo’n beroep, waarvoor je de hele wereld over moest reizen. Hij was bijna klaar met zijn klus ­ het repareren van pompen bij de bierbrouwerij ­ en moest de volgende dag naar Poznan, want daar waren ook pompen stuk. Als ik wilde, mocht ik meerijden.

Poznan

Polen is een groen land, de wegen zijn er slecht en de automobilisten rijden er als gekken. Dat alles ontdekte ik tijdens de rit van Frankfurt naar Poznan. We passeerden dorpen met onuitspreekbare namen en spraken over Oost- en West-Duitsland. Dieter was negentien toen de muur viel en had destijds veel geld verdiend met het verkopen van tweedehands auto’s. ‘Alle Oost-Duitsers wilden een auto. De prijzen schoten omhoog. We hebben ook wel eens auto’s geruild tegen een Trabant. Die zijn nu veel geld waard.’
En verder hadden we het ook over politiek. Veel Duitsers vonden het geweldig dat Arnold Schwarzenegger gouverneur van Californië was geworden. ‘We belden elkaar op en zeiden: “Nu hebben zij ook een keer een Oostenrijker”. Want Hitler was een Oostenrijker, dat weet je toch?’
Ja, dat wist ik. En een paar uur later wist ik ook alles van China, want daar waren ook wel eens pompen stuk. In China is bier heel goedkoop, is het eten heerlijk en werken de mensen zeven dagen per week. Eens per maand hebben ze een weekeinde vrij. En dat dat zo is, hebben ze te danken aan de Duitsers. ‘Dat hebben wij geregeld. Weet je hoe ze dat weekeinde noemen? Urlaub!’
Het eerste wat ik zag in Poznan was een ridder op een paard. Hij was op weg naar de totaal gerenoveerde markt, waar een heleboel ridders op paarden reden. En uit de klokkentoren hing een vrouw met een heel lange shawl om haar nek. Daarna passeerde er ook nog een optocht van de scouting. In Polen was het ook vakantie.

Volgende week het vierde en laatste verslag van Marcels reis.

De laatste lifter (4): Via Auschwitz naar huis

Marcel op zoek naar het nieuwe Europa


Auteur: Marcel van Roosmalen | 15-08-2007 | Share/Bookmark Mail dit artikel

M Met eczeem op zijn armen reist Marcel van Roosmalen met aardappelverkopers Celestyn en Angelika naar Krakau. Deel 4 (slot): Van Poznan weer terug naar Amsterdam. ‘Overal lagen aardige inwoners van Kosice. Ze waren dronken en sommigen hadden in hun broek geplast.’

 

Poznan (1)

Het marktplein in Poznan was in de oorlog verwoest, maar is nu weer in oude luister hersteld. Tenminste, de geveltjes. Daarachter zitten betonnen constructies. Maar goed, er hing een gemoedelijk ‘Anton-Piekachtig’ sfeertje. Dat alles werd nog versterkt door ridders, soldaten in oude uniformen en vrouwen in klederdracht, die door het stadsbestuur waren ingehuurd om tussen het winkelende publiek te lopen. Wat kon je allemaal kopen in de toeristenwinkeltjes?
- Amerikaanse vlaggen.
- Foto’s, boeken en munten van paus Johannes Paulus II
- T-shirts met de tekst ‘I ♥ Reagan’ en ‘I ♥ Poznan’
- Toiletpapier met vieze plaatjes.
Ik ging op een terrasje zitten en genoot van het uitzicht op de klokkentoren. Even verderop las een man in De Telegraaf. Dat wilde ik ook en dus vroeg ik hem om de sportpagina. Die kreeg ik niet, want daar moest hij zelf nog aan beginnen. Maar hij kon me wel alles over Polen vertellen. Geweldig land. Hij woonde er al vijftien jaar.
Hij werkte op booreilanden en was vaak van huis. Op booreilanden waren geen vrouwen. En dus had hij een datingbureau ingeschakeld. Hoe gaan die dingen?
‘Je kijkt de plaatjes, je hebt een ontmoeting en je kijkt of het bevalt.’
Het beviel. Polen was nu thuis.
Hij betrok een huis in Poznan en kocht alles nieuw: een Poolse televisie, een Poolse ijskast, een Pools bankstel, een Poolse wasmachine en een Poolse auto. Alleen de auto was stuk gegaan. De rest deed het nog. Ongelooflijk.
‘Ja, ongelooflijk’, zei ik. ‘Mag ik nu een stukje krant?’

Poznan (2)

Ik had eczeem. Het was begonnen met rode, jeukende bultjes onder mijn oksels, maar had zich later uitgespreid over de rest van mijn armen.
‘Kijk’, zei ik tegen de Nederlandse man met De Telegraaf en ik liet mijn armen zien.
Volgens de man was het niets ergs.
‘Dat heeft mijn vrouw iedere zomer.’
Je had er smeersels voor. Het ziekenhuis was om de hoek. Moest ik daar maar heen gaan.
Een uur later liep ik het ziekenhuis binnen. Het was er stil. In een gang liep een dokter met een witte jas. Hij sprak Engels. Jammer, zei hij, er is vandaag geen personeel. De verpleging staakte. Verder hoefde ik me geen zorgen te maken want de patiënten kregen gewoon eten en drinken. Ze staakten voor meer geld. Probleem was dat alle verplegers en verpleegsters vertrokken naar andere landen. Daar waren de salarissen ongeveer tien keer zo hoog. En zo kwam het dat ze in Polen bijna geen verplegers en verpleegsters meer hadden. De patiënten werden verzorgd door stagiaires, die alles voor het eerst deden en dat was hier ideaal.
De regering was niet enthousiast over dat gestaak en had het verboden.
Ik liet mijn armen zien.
Het was niets ernstigs. Na de zomer was het weg.

Poznan (3)

Op de markt in Poznan stonden Celestyn en Angelika. Ze verkochten aardappels en sla. Iedere vrijdag reden ze de driehonderd kilometer tussen Wroclaw en Poznan met hun vrachtautootje vol zelfverbouwde groenten. Poolse groenten en Pools fruit zagen er niet zo fris uit als Nederlandse groenten en fruit, maar ze waren wel lekker. Tenminste het fruit, want de aardappels heb ik niet geproefd.
Voor geld ­ veertig euro ­ mocht ik meerijden naar Wroclaw, de stad van de aardappels.

Wroclaw
We reden ongeveer zestig kilometer per uur en werden door iedereen ingehaald. Onderweg kreeg ik een gekookt ei, een gekookte aardappel, een stuk brood en een fles bier. Het was best gezellig. Celestyn vertelde over de aardappels en over zijn leven, tenminste dat nam ik aan, want ik verstond er geen bal van. Ik vertelde ook van alles. Dat verstonden ze ook niet, maar ik viel schijnbaar in de smaak want Angelika streek met haar hand door mijn haar. Dat hoefde nu ook weer niet, maar goed, het hoorde er schijnbaar bij. Als we weer eens langs een of ander veld reden, zei Celestyn: ‘Kartoffeln’.
Dan zei ik: ‘Jaja.’
En daarna lachten we alledrie.
Wroclaw zag er lelijk uit. Allemaal grijze flats. Ze zetten me af bij het station en ik kreeg een cadeau: een plastic tas met aardappels. Ze toeterden bij het wegrijden.
Ik dacht dat de mensen blij zouden zijn als ik ze aardappels zou geven, maar op het station van Wroclaw wilde niemand ze hebben. Uiteindelijk heb ik de zak in een portiek van een flat gelegd.

Krakau (1)
De stoptrein van Wroclaw naar Krakau was een belevenis. Het stonk er naar diesel, iedereen dronk er bier, er mocht gerookt worden, de toilet was volgepoept, kaartjes werden niet gecontroleerd en het duurde ontzettend lang.
Ik had overal jeuk, vroeg me af of dat eczeem zich nog verder zou verspreiden en had geen zin in Krakau. Toen ik aankwam, was het al nacht. Gelukkig ontmoette ik twee studenten in knalgele T-shirts. Ze waren van de regering en het was hun opdracht om zoveel mogelijk toeristen in jeugdherbergen te stoppen.
Ik schudde mijn hoofd.
Na Kleef was ik gestopt met jeugdherbergen.
Dat was een grote vergissing. De jeugdherbergen in Polen waren anders. Luxe, van alle gemakken voorzien, ze lagen in het centrum van Krakau en waren veel goedkoper dan de hotels. Je kon er ook internetten en je hoefde niet met iemand anders op een kamer.
Ik ging overstag.

Krakau (2)

Een van de jongens stond erop dat hij me naar de jeugdherberg zou brengen. Het was vijf kilometer vanaf het station en hij wilde mijn rugzak dragen. Ik vond het een goede service, maar hij zei dat hij per toerist betaald kreeg.
‘Hoeveel dan?’, vroeg ik.
‘Twee euro’, zei hij.
Die dag had hij twaalf toeristen naar een jeugdherberg gebracht. Ik was de laatste en het was een goede dag geweest.
De jeugdherberg viel tegen. Het was op de bovenste verdieping van een oud flatgebouw, maar je draait niet om als iemand vijf kilometer met je rugzak heeft gesjouwd. Buiten hing de Poolse vlag halfstok. Het gebouw was een rijksmonument omdat het in de oorlog een gevangenis van de Gestapo was geweest. In de kelder was een permanente tentoonstelling.
Erg veel was er in de tussentijd niet veranderd. Mijn kamer had een raam met tralies. Er stond een bed, er was een televisie die het niet deed en er was een douche zonder handdoeken. Het bed moest je zelf opmaken.

Auschwitz
Een dagtrip naar de concentratiekampen in Auschwitz en Birkenau was de populairste toeristische attractie vanuit Krakau. Op de tweede plaats stond een bezoekje aan de zoutmijnen van Zarkopane. Vanuit de jeugdherberg vertrokken de hele dag busjes.
In mijn busje zaten zes zingende Spaanse tieners, twee giechelende Zweedse meisjes en een Nederlander uit Arnhem, die alle landen van Europa al had bezocht en alles al wist.
De stemming zat er in: er ging een fles appelsap met prik rond, een van de Zweedse meisjes trakteerde op toastjes met smeerkaas en de Nederlandse jongen informeerde of ik ook zo’n hekel aan Duitsers had.
Nee, ik had geen hekel aan Duitsers.
Hij: ‘Daar denk je straks wel anders over.’
Na ongeveer drie uur bereikten we Auschwitz. We kregen een gids: Adalbert. Hij had een baardje en sprak ons autoritair toe. We mochten niet roken, niet eten en niet lachen. Hij zou ons rondleiden en wie een vraag had, moest zijn vinger opsteken. We begonnen aan een indrukwekkende tocht door barakken, martelkamers en langs bergen mensenhaar en koffers.
In een van de barakken stak een van de Zweedse meisjes haar vinger op. Waar de wc’s waren, want ze moest heel nodig. Adalbert begreep de vraag niet helemaal en zei dat er in een barak verderop allemaal gaten in de vloer zaten. Daar deden de Haftlinge hun behoefte en hij vertelde hoe het er toen stonk en dat er een luizenplaag was.
‘O ja’, zei het Zweedse meisje.
Toen we na twee uur alle ellende hadden gezien, kregen we pauze. Ze renden allemaal naar de kampwinkel, waar ze ijs, chocola en frisdrank verkochten. De Nederlandse jongen kwam naar me toe.
‘Indrukwekkend, hè?’, zei hij.
Ja, indrukwekkend.
Of ik al een hekel aan Duitsers had?
Daarna zei hij dat ik morgen naar de zoutmijnen moest. Hij was er al geweest en daar was het ook indrukwekkend.

Krakau (3)
Na het bekijken van de martelkelders van de Gestapo in de jeugdherberg was ik verhuisd naar een hotel. Het heette Vienna International en het was een van de duurste hotels in de stad. Ik moest een aflevering van deze serie schrijven en ik vond dat ik wel wat luxe had verdiend. Ik zat hele dagen te staren naar mijn computer, ging ‘s avonds eten op het mooie marktplein van Krakau en belde iedereen die ik kende.
Hoofdredacteur Peter belde.
‘Waar zit je?’
‘Nou, Polen’, zei ik.
‘En?’, vroeg hij.
‘Nou, indrukwekkend’, zei ik.

Tewkesbury

Het personeel van het Vienna was erg aardig. Ze vonden het weer eens wat anders: zo’n toerist die de hele dag vloekend met zijn haperende laptop door het hotel rent. Ze hadden geregeld dat ik met een bus Poolse schoolkinderen mocht meerijden naar Slowakije. De kinderen gingen op schoolreis naar de bergen en de bossen. Ik beloofde reclame te maken voor het hotel. Bij deze: als u in Krakau bent, ga naar hotel Vienna International.
De laatste avond at ik onder een witte parasol vlees met bonen. Een tafeltje verderop zaten Neil en Ann uit Tewkesbury. Neil had al twee hartaanvallen gehad en Ann had iets met haar bloed, maar ze waren toch op vakantie gegaan. Ze dronken wijn en mopperden op Groot-Brittannië. Was het daar maar zoals in Polen.
In Engeland was alles slecht geregeld: het onderwijs, de gezondheidszorg en de regering bestond er uit lamzakken die alleen maar deden wat Amerika zei. Neil was de zoon van een militair, die in India was gestationeerd en concludeerde dat er van het Britse imperium niets meer over was. Ja, de Falklands. En nu was hun woonplaats ­ Tewkesbury ­ ook nog overstroomd. ‘Het schijnt dat alleen de kerk er nog staat’, zei Ann, die dagelijks in de hotelkamer naar de BBC keek.
De laatste berichten waren dat hun huis niet onder water stond, maar ook daar werden ze niet blij van. Neil focuste liever op de onveiligheid. In Tewkesbury kon je na zessen niet meer over straat. De straat was van de jeugd en die viel iedereen lastig. Heel anders dan in Polen. Daar werkte iedereen en hij had er nog geen hangjongere gezien.

Kosice
Het was vijf uur ‘s morgens en de bus vol slapende schoolkinderen draaide het parkeerterrein achter de McDonald’s in Kosice op. Hier werd ik achtergelaten.
Er stond een vrachtwagen. Ik klopte op de deur. Een man in een hemd schrok wakker en begon te schreeuwen. Ik schrok ook, riep ‘Aaaah!’ en rende weg.
Het drive-inloket van de McDonald’s was open. Ik bestelde koffie en een donut en ging op een van de plastic stoeltjes lezen in de Lonely Planet. Kosice had een beroemde kerk ­ de Sint Elizabeth Kathedraal ­ het werd vooral bezocht door wandelaars, die vanuit Kosice een tocht planden door het Tatra-gebergte en de plaatselijke bevolking stond bekend als ‘aardig en gastvrij’. De Lonely Planet: ‘You might actually make friends. Why not spend a day or two and check it out?’
Ja, why not?
Goedgemutst begon ik aan een wandeltocht richting centrum. Ach, daar had je een van de vriendelijke inwoners. Daag, welke kant moet ik op?
De man had opgezwollen ogen, zwaaide met een fles en schreeuwde in een voor mij onverstaanbare taal. Overal lagen aardige inwoners van Kosice. Ze waren dronken en sommigen hadden in hun broek geplast. Op een stil plekje haalde ik nog een keer de Lonely Planet uit mijn rugzak. Er was echt maar een Kosice. Het lag vast aan mij: door slaapgebrek zag ik de dingen anders dan ze waren. Er was gewoon een feest geweest of zo en net als in Nederland bleven er dan altijd wat mensen hangen op straat.
Ik kwam bij een park. Daar stond een groot standbeeld voor een generaal, leider van een deel van het Sovjet-leger dat hier slag had geleverd met de Duitsers. Groot beeld, mooi park. Ik besloot er een foto van te maken. Nog best ingewikkeld om zoiets behoorlijk in beeld te krijgen. Achter me begon een kind te huilen. Meteen daarna kwam een zigeunervrouw uit de bosjes. Ze schreeuwde en stak haar hand uit. Ik had helemaal geen Slowaaks geld. Wel een briefje van twintig euro, maar dat vond ik wat veel.
Vrouw boos. Ik rende het park in en besloot om het gezellige Kosice zo snel mogelijk te verlaten. Bij het station hingen daklozen en dronken mensen. Er was een winkeltje open. Het was vroeger een legershop van het Sovjet-leger geweest. Ik wees een stokbrood met worst aan in de vitrine. Dat werd zuchtend in een stuk papier gewikkeld. Daarna werd mijn twintig-eurobiljet geweigerd.
Ik: ‘Maar bij de McDonald’s wilden ze het wel…’
Het werd niet begrepen. Ze spraken hier geen Duits of Engels. Alleen Russisch. Ook het kopen van een treinkaartje ging niet gemakkelijk. Bij twee van de drie loketten werd ik niet geholpen. Ik was een onverstaanbare gek. Na veel gedoe had ik uiteindelijk een retourtje Boedapest, want dat was vreemd genoeg goedkoper dan een enkele reis. Ik moest twee uur wachten en bracht die tijd stokbroodkauwend op mijn rugzak door.

Boedapest
Wit-Rusland, Belgrado, Albanië… Allemaal plekken, die ik wilde bezoeken tijdens deze reis. Maar toen ik in Boedapest uit de trein stapte, wist ik dat dit de laatste halte was. Ik had mezelf en het liften ­ of meerijden, want dat was het meer ­ wat overschat. Ik wist ook helemaal niet wat ik nu weer moest gaan doen.
Hoofdredacteur Peter had jaren in Boedapest gewoond en me allemaal onverstaanbare plekken genoemd die ik zeker moest bezoeken. Ik had onthouden: het kerkje met het gele dak, het zwembad met de drijvende schaakborden en restaurant Gundel. Daar speelden ze op de viool en was de chocoladetaart erg lekker. Tussendoor zei hij ook nog dat het zelfmoordpercentage onder Hongaren vroeger het hoogste was in Europa. ‘Nu zijn ze ingehaald door de Russen.’
Ik nam mijn intrek in het eerste hotel dat ik zag: Best Western Hotel Hungaria. Het was een megacomplex met 874 identieke kamers. Daar bleef ik totdat de prijzen werden verdubbeld vanwege de Formule 1-race in Boedapest. Vanaf dat moment werd het hotel veroverd door medewerkers en VIP-gasten van de ING.
Boedapest was een hele mooie stad, maar de Hongaren wandelden het liefst door mega-winkelcentrum West-End, waar allemaal spullen lagen die ze eigenlijk niet konden betalen. Overal hingen bordjes met 0-24 erop. Dat betekende dat de betreffende winkel altijd open was. Op zich ideaal, maar ik begreep wel waarom iedereen er hier zo moe uitzag.

Amsterdam

Zelf was ik ook moe. Vooral van mezelf eigenlijk. Liften deed ik nooit meer. In heel Europa stond bijna niemand meer langs de weg. Er waren wel liftcentrales. Daar kon je dan voor geld met iemand meerijden. In Boedapest was er ook een. Een ritje naar Wenen kostte er vijftig euro. De trein was goedkoper.
Ik kocht een kaartje en bereikte Amsterdam na tussenstops in Wenen, München, Keulen, Mönchengladbach, Venlo en Eindhoven. Het was klaar en af en mijn eczeem was weg.

Haarlem
Het was lunchtijd, dinsdagmiddag. Ik bestelde een espresso bij café XO op de markt in Haarlem. Even later sprong hoofdredacteur Peter van zijn zwarte herenfiets. We gingen evalueren.
‘En?’, vroeg hij.
‘Nou, ik ga nooit meer liften’, zei ik.
‘We zullen het je ook niet meer vragen’, antwoordde hij.
Wat ik van Boedapest vond?
Tja, mooie stad. En ik was ook nog naar dat openluchtzwembad met die ingewikkelde naam geweest, waarin Hongaren op drijvende schaakborden zaten te spelen, maar voor de rest herinnerde ik me vooral dat ik toen heel erg graag naar huis wilde.
Ik vertelde hoe ik erbij zat in hotel Hungaria. In een joggingbroek achter een te klein bureau. Wachtend op inspiratie om te schrijven. Het uitzicht: een grote spiegel. Dus ik zag de hele tijd dat te grote, moeie hoofd.
Peter knikte. Hij was jarenlang correspondent geweest. Een collega had ‘m ooit gezegd: ‘Waar je ook komt… Hang eerst een handdoek over de spiegel en ga daarna pas werken.’
Het kwam wat laat, maar ik vond het een goede tip.

Alles cloud based, ook de lunch

DOOR Marcel van Roosmalen | nrc.next 4 mei Werk & Geld
Marcel van Roosmalen bezoekt een seminar bij IT-bedrijf Sogyo.
 
Het hoofdkantoor van IT-bedrijf Sogyo was een verbouwde boerderij in De Bilt. Een deel van het personeel kwam in de avonduren bij elkaar voor een seminar: ‘DCI, een nieuw paradigma. Kan 00 de prullenbak in? Kom het horen of bestrijden.’

Commercieel directeur Edwin van Dillen zei dat er bij Sogyo allemaal nerds werkten. Dat klopte. Ik stond wat ongemakkelijk tussen een groepje IT’ers, die me aanstaarden.
„Wat doe jij hier?”, vroeg er een terwijl hij in een broodje hapte. Ik zei dat ik bij een krant werkte.
„Van papier?”, vroeg hij.
Hij wist niet dat zoiets bestond.

HR-manager Mirjam Boer bracht een kom tomatensoep.

Edwin van Dillen stelde voor om een stuk te gaan wandelen, hij had veel te vertellen. Na een tocht van ruim twee kilometer bereikten we een grasveld. In het midden stond een boom met een Chinese naam.

Hij liep naar de boom en omarmde de stam.
„Wat een dikke stam, hè?!”
Ja, het was een dikke stam.
„Wil je ook even?”, vroeg hij.

Er schoot van alles door me heen. Wat deed ik met deze Edwin in een bos en hoe gek was hij eigenlijk?
Edwin zei dat de stam van de boom zo dik was, omdat de grond hier zo vruchtbaar was. En op dezelfde grond stond nu zijn bedrijf!

Op de terugweg behandelde Edwin de bedrijfsnaam.
Sogyo, had ik enig idee wat het betekende?
Nee. Dat dacht hij al.

Kende ik het boek The Third Wave van Samuel Huntington? Niet? Dan vatte hij het even samen. We waren bijna terug bij de Sogyo-boerderij toen hij aan het eind van zijn betoog kwam. „Wat ik al aankaartte: Japanse bedrijven zien zichzelf als een levend organisme. Sogyo is het momentum waarop een organisatie zichzelf herontdekt. Ik vond dat treffend.”

Human resource manager Mirjam Boer zat wijdbeens op een houten tafel in het zonnetje.
„Ik lever hem aan jou over, Mirjam”, zei Edwin. „Misschien kun je hem wat vertellen over ons personeelsbeleid?”
Tegen mij: „Vraag haar maar de oren van het lijf, dat is ze gewend.”

Mirjam zei dat bedrijven steeds meer op zoek waren naar nerds die op een normale manier konden communiceren.
„Daar zit er een”, wees ze. „Hem vroeg ik in een sollicitatiegesprek of hij iets positiefs over zichzelf kon vertellen. Dat kon hij niet.”
Ik keek naar de nerd in kwestie, hij kleurde en wekte niet de indruk dat hij het leuk vond dat het hele gebeuren weer werd opgerakeld.
„En toen stelde jij voor om je moeder te bellen”, zei Mirjam tegen de nerd. „Heel indrukwekkend.”

„Wat zei je moeder?”, vroeg ik.
„Gewoon”, zei de nerd.
„Ja, wat zeggen moeders?”, zei Mirjam. „Wat alle moeders zeggen: dat het een lieverd is. We hebben hem meteen gecontracteerd.”

Het ging beginnen.

Edwin wees in het klaslokaal naar een grijzende man in een verwassen T-shirt. Het was Rob Vens, ‘een absolute programmeergoeroe’, die bij discussies als deze altijd ‘wat in de melk te brokkelen had’. „Hij heeft op een blogpost een vergelijking getrokken tussen computers en oersoep. Dan ben je er eentje hoor… hahaha.”
Ja hahaha, maar snappen deed ik het niet.

„Het gaat om de ingrediënten”, legde Edwin uit. „Wat heb jij juist op? Tomatensoep toch? Dat smaakt niet zonder tomaat, dat soort dingen legt Rob genadeloos bloot.”

Cursusleider Pedro Rodrigues kwam uit Portugal en had een zwarte baard, het was het enige wat ik noteerde. We gingen meteen de diepte in, zo diep was ik nog nooit geweest.
Pedro tekende rondjes op een flip-over.
„DCI is simpel. En dan roep je die aan, en dan komt-ie hier terug. Jij hoeft niet na te denken, hij denkt.”

Rob Vens zat te wippen op z’n stoel.
Hij ging er, tot grote hilariteit van de nerds, meteen vol in.

„Als je die aanroept, heb je het object toch hier zitten? Of niet dan? Je kunt het stukje code hier schrappen, dan roep ik dit object aan en dan komt hij hier terug.”

Pedro: „Je laat de usecase dus los.”
Rob: „Dat kunnen objecten toch ooo-ook.”
Tot zover, dit was voor niemand leuk.
Terug naar de plek waar we soep hadden gegeten.

Edwin begon meteen weer tegen me aan te praten. Of ik gesnapt had dat ze de opdracht hadden gekregen om een nieuwe code te schrijven voor Mancala, een Afrikaans spel, ook wel bekend als ‘kuiltje kiezen’.

Mirjam vulde bakjes met snoep. Suiker, dat vonden Sogyo-medewerkers lekker op workshopdagen. Ik ook, ik vrat een hele bak leeg, want directeur Edwin bleef maar lullen. Zijn jongens hadden een speciale applicatie geschreven voor de boodschappen voor de lunch, helemaal cloud based. Ze hielden van spelletjes, hij kon er twee aanwijzen die al zeventien jaar met elkaar in een fantasycardgame waren verwikkeld. En als ik meer wilde weten over de Chinese boom of over de code die ze op de muur van het toilet hadden geschreven moest ik Rob Vens maar even aanspreken.

In de pauze sprak ik Raymond, een programmeur bij Sogyo. Hij zei: „De universele vraag is: moet ik hier wel zijn?”

Schrijver Marcel van Roosmalen neemt wekelijks een kijkje op de werkvloer. Wil je Marcel op bezoek? werk@nrc.nl

 

 


Commercieel directeur Edwin van Dillen zei dat er bij Sogyo allemaal nerds werkten. Dat klopte.
Foto Jan-Dirk van der Burg

 
Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.