Maandelijks archief: juli 2011

Over studerende vluchtelingen.

Komt ook in die bundel ‘Het is nooit leuk als je tegen een boom rijdt’.

Overbetrokken

Door Marcel van Roosmalen/Intermediair, 29 januari 2009

 
Exile001_2
Het UAF -Stichting voor Vluchtelinstudenten – ondersteunt hoger opgeleide vluchtelingen bij hun zoektocht naar een passende baan. Goed werk.Dat vonden de ongeveer honderd genodigden bij de forumdiscussie in de Stadsschouwburg ook, dat ze goed werk deden.Persvoorlichter Nadja van Haren van het UAF kwam met een waarschuwing vooraf. Ze wilde niet dat we de hoogopgeleide vluchtelingen ‘lastig vielen’. ‘Die mensen hebben van alles meegemaakt. Die kun je niet zomaar alles vragen. Ik stel voor dat je het niet over martelen hebt.’
De onderwerpen van de formumdiscussie waren ‘Banenoffensief voor vluchtelingen’ en ‘De samenwerking tussen UAF en Achmea met betrekking tot werkervaringbanen’.Vragen over ‘martelen’ waren nog niet in ons opgekomen. Persvoorlichter Nadja gaf toe dat ze ‘overbetrokken’ was. Ze had het idee dat ze haar vluchtelingen moest beschermen om excessen te voorkomen. ‘Ik wil niet dat journalisten vluchtelingen aan het huilen brengen.’

We wilden geen hoogopgeleide vluchtelingen aan het huilen brengen. Bij ‘overbetrokkenen’ waren we wat minder voorzichtig.
Ik: ‘Jij bent een heel slechte persvoorlichter.’
Persvoorlichter Nadja: ‘Daarom begin ik binnenkort zeker ergens anders als communicatiemedewerker.’ Waar dat was, wilde ze niet zeggen.

Goed, de forumdiscussie.
Achter een grote tafel zaten vier hoogopgeleide vluchtelingen. Ze werden geflankeerd door meneer Van Hal, die over het personeelsbeleid van Achmea – ‘Twintigduizend medewerkers, 1600 managers’ – ging. Hij glom ervan.
Achmea liep nogal voorop qua diversiteitsbeleid. Als het aan hem lag, kwamen er naast vluchtelingen ook nog eens grote porties gehandicapten bij.
Er was ook een presentator in een te groot pak.
Hij sprak in lange, moeilijk verstaanbare zinnen, die vaak eindigden in een stelling, waarmee alle aanwezigen het eens waren.
-Hoogopgeleide vluchtelingen wilden passende arbeid.
-Van Hal van Achmea wilde ze graag in dienst nemen.
-De rest van de zaal vond het fantastisch dat Achmea en Van Hal dat deden.
-Waren er maar meer bedrijven als Achmea.
-Waren er maar meer Van Hals.
-Maar die waren er niet veel.
-Dat was het probleem.
-Goed dat het UAF bestond.
-Applaus.

Eigenlijk waren we na tien minuten wel klaar, maar daarna zei iedereen nog een keer of zes hetzelfde in zijn eigen woorden. Op de eerste rij viel een man in slaap. Ook UAF-voorzitter Ruud Lubbers had het zichtbaar moeilijk.
Naast hem zat UAF-directeur Kees Bleichrodt, de stropdas scheef, de vinger aan de mond.
Meneer Van Hal van Achmea snapte niet dat er niet meer bedrijven met hoogopgeleide vluchtelingen werkten. ‘Bij ons was het tijdens vergaderingen soms net een kippenhok. Wat een gekwek. Iedereen door elkaar heen. Dat veranderde met komst van de vluchtelingen. Sommigen zijn heel moeilijk te verstaan. Dat dwingt je om goed te luisteren. Het is de vergaderingen ten goede gekomen. En ze nemen nieuwe normen en waarden mee… Op afdelingen was het de gewoonte om alles tegen elkaar te zeggen. Recht voor z’n raap. Nu zit er eentje uit Afghanistan tussen en zit daar een slot op. We denken eerst na: kan het eigenlijk wel wat ik allemaal wil zeggen?’

Na afloop van het debat toverde directeur Kees Bleichrodt een camera uit zijn colbert. Het zou fijn zijn als een vrijwilliger hem wilde kieken met voorzitter Ruud Lubbers. Dat gebeurde. Hij ging er speciaal voor staan en trok zijn stropdas recht.

Toen het klaar was, kregen fotograaf Co en ik te maken met Wies Kalsbeek, een gezette mevrouw van de afdeling ‘Job Support’ van het UAF. Ze had geen hoge pet van ons op, maar dit terzijde.
Wat we van de forumdiscussie hadden gevonden?
Saai.
Wies: ‘En dan ben ik nieuwsgierig en denk: waarom?’
In de argumenten – Iedereen was het met elkaar eens. De presentator was amper te verstaan – kon ze zich deels vinden.
‘Misschien is een discussie leuker als niet iedereen het met elkaar eens is, maar dat de presentator onduidelijk sprak, vond ik een pre. Het dwingt je te luisteren.’
Wies begon over de zinderende muzikale theatervoorstelling Excellence in Exile, die speciaal voor het zestigjarig jubileum van het UAF in elkaar was gedraaid. ‘Onze directeur adviseerde me met klem om me daar eens heftig tegenaan te bemoeien. Een hele klus. Dus…’
We vertelden voorzichtig dat we niet naar die voorstelling gingen.
Wies: ‘Ooo, maar er zit Joegoslavische muziek in…’
Wij: ‘Echt niet.’
Wies: ”Lekker opzwepend…’
We bleven ‘nee’ schudden.
Wies: ‘Doe het dan niet als journalist. Doe het als mens. Doe het voor jezelf.’

We gingen onverstaanbaar praten. Dat hielp.

Deze tekst verscheen in Intermediair (5) van 29.1.2009 (Intermediair), rubriek: Marcel van Roosmalen op zoek naar Nederland.

Tanja Jess, Bert & Ernie

Door Marcel van Roosmalen/Het Parool – 30 juli 2011

Het kinderprogramma Sesamstraat bestond 35 jaar. Vier volwassenen in beestenpakken – Elmo, Tommie, Bert & Ernie – kwamen naar het schoolplein van de 2e Daltonschool in Amsterdam-Zuid om er kinderen te vermaken. Ze deden dat door te zwaaien. Er stond ook een man met halflang haar zonder kostuum tussen, even googlen leerde dat het ging om de acteur Arjan Smit die in de serie ‘een soort jonge vaderrol’ voor de personages Pino, Tommie, Ieniemienie en Purk is. De kinderen herkenden hem in ieder geval meteen, hij ging er gekke gezichten van trekken en wild van zwaaien .

De boel werd aan elkaar gepraat door de actrice Tanja Jess, er werd niet naar haar gezwaaid, zij speelde niet in Sesamstraat, maar de kinderen luisterden wel als ze met overslaande stem wat riep. Op haar commando zongen de peuters de beesten van televisie toe. Nadat ze twee liedjes hadden gezongen riep Tanja: “Heeeeel moooooi! Nog een keer!”

Daar gingen we weer.

En die beesten maar zwaaien.

Een fotograaf van De Telegraaf droeg een petje van Ajax en banjerde er tussen door. Er was sowieso veel media: we telden drie cameraploegen, zeven fotografen en er liepen er ook nog wat met een opschrijfboekje: komkommertijd.

Na veel geschreeuw en gedoe rondom de microfoon – de kinderen mochten in kleine groepjes met de beesten op de foto, een juf met enorme borsten coördineerde de zaak – was Tanja beschikbaar voor de pers. Nadat ze aan SBS6 Shownieuws en RTL Boulevard had uitgelegd dat ze iedere avond naar Sesamstraat keek en dat dat haar – op vrijwillige basis, heel belangrijk! – naar het schoolplein had gebracht, ging ze dieper in op de materie.

“Ik ben opgegroeid in Duitsland”, zei de actrice. “In die beginjaren heb ik een programma als Sesamstraat heel erg gemist. Dat haal ik nu in. Ik kijk het bijna iedere avond met mijn kinderen. De oudste is acht, de jongste drie, die begint net.”

Het beest Tommie passeerde.

Hij zwaaide naar Tanja.

Tanja zwaaide terug.

“Dat karakter staat als een huis”, zei Tanja, terwijl ze het beest nakeek. “Maar het is niet echt, er zit een mens in. Dat vergeet je wel eens.”

Daar had niet iedereen last van.

Tanja: “Kinderen wel! Kinderen wel! Vraag maar!”

We vroegen het een kind.

Hij geloofde echt in Bert & Ernie, iets wat later waarschijnlijk over ging.

Tanja vond het een heerlijke dag, vooral ook omdat de zon scheen, want hoe het met de organisatie had gemoeten als het zou hebben geregend: ze had geen idee.

“Ik neem aan dat ze het naar binnen hadden verplaatst, maar dat is koffiedik kijken.”

Verder was ze bezig met de opnames van een tweede reeks van de serie ‘Bloedverwanten’, schreef ze columns voor de bladen 100%NL en Kek Mama en was ze ‘actief voor twitter’. “In columnvorm.”

De acteur Arjen kwam haar halen.

Twee cameraploegen wilden haar erbij hebben voor het plaatje. Een vrouw erbij stond leuker, zeker omdat ze een bekende vrouw was.

“Anders zijn het toch vier beesten en een man op een schoolplein.”

Een prima samenvatting van het gebeuren.

De Nederlandse versie van Sesamstraat viert ...

Kinderen grijpen beesten uit Sesamstraat, foto: Elmer van der Marel

In Duitsland voetballen ze weer. Wolfsburg verloor im DFB Pokal van RedBull Leipzig, een kutclub.

Door Marcel van Roosmalen/NUSport, april 2011

Af en toe zag ik in Nederlandse stadions wel eens een spandoek hangen met de tekst ‘Tegen het moderne voetbal’, ik had me nooit zo in de achtergrond ervan verdiept. Zelf ben ik supporter van een club die is opgekocht door een Georgiër, wellicht is dat de oorzaak.

In Duitsland liep de strijd tussen de ‘traditionalisten’ en de ‘commercielen’ de laatste jaren uit de hand. Na de ongekende promotiereeks van het Hoffenheim van miljardair Dietmar Hopp meldde frisdrankfabrikant Red Bull zich in 2009 in Leipzig. De multinational wilde er een club kopen. Omdat de Traditionsvereine Sachsen (het vroegere Chemie) Leipzig en Lokomotiv de clubkleuren en de naam niet wilden veranderen, kwam er honderd miljoen euro terecht bij vijfdeklasser SSV Markranstatt uit een buitenwijk van Leipzig. De naam van de club werd veranderd in het bespottelijke RasenBallsport Leipzig, want de Duitse wetgeving verbiedt het dat een club naar een merk genoemd is. Het doel van Red Bull is om met RB Leipzig zo snel mogelijk in de Bundesliga te komen, waarin Oost-Duitse clubs ontbreken.

Gebeld met de nieuwe club, na een snelle promotie inmiddels actief in de Regionalliga Nord, zeg maar de Duitse vierde divisie. We waren welkom, meer dan welkom zelfs. Ze speelden inmiddels niet meer in het kleine Stadion am Bad, maar in de Red Bull Arena, het vroegere Zentralstadion, een gigantische bak waar ruim 44.000 toeschouwers in kunnen. Red Bull investeerde ook dertig miljoen in een nieuw trainingscomplex aan de rand van de stad, tot dat af is werd er getraind op de velden van de regionale voetbalbond.

De muren van het hoofdgebouw waren beklad met anti-RedBull-leuzen. Op het veld onderwierp trainer Tomas Oral – een klein, schriel mannetje – zijn spelers aan een typisch Duitse training. Met zijn assistenten had hij een enorm parcours uitgezet, we zagen de spelers anderhalf uur tussen pionnen zigzaggen en over linten springen. Als een speler niet snel genoeg ging, blies hij op zijn fluit. Langs het veld een handvol fans van lijstaanvoerder Chemnitzer FC, speciaal gekomen om de spelers van RB Leipzig uit te lachen. Tegen ieders verwachting stond RB op een schamele vierde plaats. Ter hoogte van de cornervlag Pressechef Hans-George Felder, een pokdalige man van eind veertig. Hij zat in zijn Audi, op de stoel naast hem zijn bejaarde moeder, vanwege de regen stonden de ruitenwissers aan.

Ik klopte op het portier, moeder en zoon nodigden me uit op de achterbank. Moeder monsterde me in de autospiegel, een beetje bozig, het bezoek viel tegen. Ze hadden gedacht dat ik een scholier van een schoolkrant was, ze hadden het al vreemd gevonden, een jonge knul helemaal alleen uit het verre Holland. Maar dit was andere koek!

Presse-Chef Hans-George Felder borg de meegenomen snoepzak en de kleurplaten van clubmascotte Bullie snel op in het dashboardkastje en stelde voor om even van de training te genieten en later in de kantine een gesprek te hebben. We keken door de beslagen ramen van de Audi naar de huppelende spelers, een beetje saai. Moeder Felder stopte een zakdoek in haar mond en wreef daarna voorzichtig een streep jam van de wang van haar zoon, die daar zichtbaar ongemakkelijk van werd.

“De inzet is weer hartverwarmend”, zei de Presse-Chef, “iedereen doet vol vuur mee aan de oefeningen ook onze nieuwe ‘Kreatievspieler’ Thiago Rockenbach (ex-Werder Bremen) en oud-international Ingo Hertsch.”

Hij vond die inzet ‘typisch Red Bull’, een opmerking waar ik zo snel geen antwoord op had. Moeder pakte een boek uit haar handtas, ze wilde lezen. Tijd om naar de kantine te gaan.

We zaten in een verder verlaten bar. Hans-George trakteerde op Sinas uit de automaat en verexcuseerde zich een keer of tien voor de rare ontvangst. Hij was in dienst van Red Bull, een miljoenenbedrijf, het gaf geen pas om een journalist van een gerenommeerd tijdschrift zo te ontvangen. Met een snoepzak… Wat moesten ze in Holland wel niet denken? Hij hield van zijn moeder, ze deden sinds de dood van zijn vader veel samen, daar moest ik verder niets achter zoeken.

Holland ach… hij had er mooie herinneringen aan. In een ver verleden speelde hij in het nationale korfbalteam van Duitsland. PKC uit Papendrecht, zei die naam me iets? Daarna begon hij over de Hollandse voetbalschool. Ajax, Feyenoord, PSV, Marco van Basten, Johan Cruyff, de verloren WK-finale… de bekende riedel.

Ik begon over Vitesse.

Ach ja, aus Arnheim… hij had er over gehoord. Die gingen met een miljoentje of zestig de Nederlandse top bestormen, niets vergeleken bij Red Bull dat honderd miljoen had gereserveerd om RB Leipzig naar de Champions League te brengen.

Logeerde ik in de stad?

Had ik al iets van de Red Bull-fieber geproefd?

Niet echt.

Hij zuchtte.

Oost-Duitsers snakten naar Bundesliga-voetbal. RB Leipzig was de laatste hoop. “Op het moment dat wij Bundesliga spelen, zit het stadion gewoon vol.” Maar, en dat gaf hij wel toe, de tegenstand van de ‘traditionelen’ – mensen die alles bij het oude wilde laten, niet met hun tijd meegingen en tegen commercie in het voetbal waren – was groter dan verwacht.

Eens in de zoveel weken kon hij weer naar de politie. Aangifte doen omdat er weer een Jungbull – de benaming van jeugdspelers van RB Leipzig – was afgetuigd in de stad. Al bij de eerste uitwedstrijd na de overname liep het uit de hand.

“Waar we ook komen, de spelersbus wordt bekogeld met tomaten en flessen. We krijgen altijd een speciale politie-escorte. Als onze spelers het veld opkomen klinkt een massaal ‘Scheiss Red Bull’. We zijn al een keer weg moeten vluchten. In Jena kwamen ze de hekken over, toen hebben onze jongens moeten rennen voor het leven. We zijn zo snel mogelijk weg gereden met onze luxe bus. En aan het begin van vorig seizoen was het gras van ons trainingsveld bewerkt met landbouwgif. Al het gras dood! Wie doet zoiets?”

Hij zwaaide met zijn vinger.

“Maar onze thuiswedstrijden zijn een feest voor het hele gezin! En Red Bull geeft niet op, onze sponsor houdt van uitdagingen!”

De volgende dag was er een wedstrijd in het immense stadion. Honderden beveiligers controleerden alles en iedereen. Ik mocht in de businessbox van de stadioneigenaar zitten, een merkwaardige man met een verwaaid kapsel die maar bleef praten over de oranjemars door het centrum van Leipzig tijdens het WK van 2006.

Fans van het Nederlands elftal waren een voorbeeld, zo ongeveer moest het legioen van RB Leipzig zich ook gaan gedragen. Hij zag het al voor zich hoe duizenden Leipzigers op zaterdagmiddag door de stad marcheerden, in hun witte shirts met dat schitterende stierenlogo, het clublied ‘Bullies nach vorne‘ zingend.

Even later klonk het clublied door de geluidsinstallatie, een fantasieloze tekst.

Hey hey, wer jetzt hüpft ist für RB!

Hey hey, wer jetzt hüpft ist für RB!

Hey hey, wer jetzt hüpft ist für RB!

Hey hey, wer jetzt hüpft ist für RB!

Wer nicht hüpft, kommt nicht aus Leipzig, HEY HEY!

We stonden op een groot plateau met een fantastisch uitzicht over het stadion. De stadioneigenaar roemde de atmosfeer.

“Het kan hier spoken.”

Dat was in de clubhistorie een keer gebeurd: bij de derby tegen Lokomotiv waren vorig jaar meer dan elfduizend toeschouwers, al moest hij toegeven dat de meeste aanwezigen fan van de tegenstander waren. Die dag waren er 2736 toeschouwers, maar de stadionspeaker deed alsof we met veel meer waren. “Hi“, schreeuwde hij door de geluidsinstallatie. “Gu-ten-mit-tag Red Bullies! I say: Hal-lo.”

Daarna las hij langzaam en met overslaande stem de voornamen van de spelers op, het was de bedoeling dat het publiek de achternamen zou scanderen, maar dat gebeurde niet.

“Onze supporters zijn successupporters”, zei de eigenaar van het stadion. “Dat is geen probleem want er komen hier gegarandeerd successen. En dan zit het vol.”

Het tweede team van HSV werd eenvoudig opgerold. Doelpunten werden in eenzaamheid gevierd. In de verte zag ik perschef Hans-George Felder zijn moeder omhelzen. Na afloop trof ik mascotte Bullie bij het koud buffet voor de sponsors. Hij bleef iedereen tot het einde toe vermaken en stond naast een bak worsten met zijn hand bewegingen bij het hoofd te maken zodat iedereen wist dat het lekker was. Hij had in zijn korte carrière al veel meegemaakt. Naar uitwedstrijden ging hij niet meer, niemand vond hem er leuk. Ze hadden hem in Chemnitz aan zijn staart getrokken en in Kiel ws hij geschopt. Hij was er onder politiebescherming naar de bus gebracht, net als de spelers overigens.

De Pressekonferenz werd bijgewoond door drie journalisten, mascotte Bullie, waarin een plakkerige jongen bleek te zitten, en de voorzitter van fanclub Bulls Club, die tevens verslaggever van RB Leipzig Radio was. Trainer Tomas Oral zei dat promotie misschien toch nog mogelijk was. Hij dankte Bullie voor het opjutten van het trouwe thuispubliek. Hij wees erop dat het toeschouwersgemiddelde van RB Leipzig met 5377 het hoogste van alle clubs uit de Regionalliga was.

Dat de helft van de aanwezigen een zichtbaar gebrek had, deed er niet toe. Toeschouwers waren toeschouwers. De voorzitter van fanclub Bulls Club knikte instemmend. Fijn dat de trainer de fans een keer bedankte. Hij heette Stephan, het was een vriendelijke jongen met een bril. Het was niet altijd makkelijk om in het openbaar van zijn liefde voor RasenBallsport Leipzig te getuigen, veel van zijn collegafans waren wel eens afgeranseld. En ja, op het eerste gezicht zagen ze er misschien wat klunzig uit, maar ze waren met steeds meer. Wat hen bond was misschien juist wel een gevoel van herkenning: ze waren het gewend om uitgelachen te worden. Ze werden ook steeds inventiever in het verzinnen van ‘kwetsende spreekkoren’ om terug te zingen als ze bij uitwedstrijden weer eens werden begroet met een massaal ‘Scheiss Red Bull Scheiss’.

“Dan zingen we:

Wenn wir wollen, kaufen wir euch auf!

Wenn wir wollen, kaufen wir euch auf!

Dan worden ze vanzelf stil.”

Hij voegde eraan toe dat over een paar jaar alle normale mensen uit Leipzig achter RB zouden staan.

Presse-Chef Hans-George Felder onderbrak het gesprek. Ik mocht sterspeler en tweevoudig Duits international Ingo Hertsch een vraag stellen. Ik vroeg hem hoe hij het vond om voor RB Leipzig te spelen.

“Het is natuurlijk nooit leuk om regelmatig met de dood bedreigd te worden”, zei de speler, “maar voor de rest bevalt het goed.” Een paar weken later schreef ik dit artikel.

RasenBallsport Leipzig had opeens weer kans op promotie naar de 3e Liga. Dan moest de uitwedstrijd tegen het tweede van VFB Wolfsburg gewonnen worden. ‘Die Bullen wollen Wolfen jagen’, kopte de website. Optimisme dat niet langer gedeeld werd door Presse-Chef Hans-George Felder. Binnen de club vonden ze hem bij nader inzien toch ‘te dictatoriaal’. Hij joeg journalisten van het speelveld, had gesnauwd tegen medewerkers van het door hem zelf opgerichte TV Station RB Leipzig, maar het werd hem vooral aangerekend dat hij zich laatdunkend had uitgelaten over het spel- en denkniveau van de clubs in de Regionalliga Nord.

Hij was ontslagen. Ik ontving mail van een teleurgesteld mens. Hij hoefde het stuk niet meer voor publicatie te lezen, als dit de wetten van het moderne voetbal waren hoefde het wat hem betreft niet meer. Pluspunt was dat hij niet langer met de dood bedreigd werd. Zijn moeder deed de groeten.

Eczeem en vieze thee

Door Marcel van Roosmalen / Het Parool – Amsterdam, dinsdag 29 december 2009

Eczeem, je vraagt je af waar het stopt. Bij mij begon het onder de oksels. Gevolgd door de knieholtes. Later was ook de nek aan beurt. De huisarts sprak over ‘een seizoenskwaal’ en ‘acceptatie’.
 Op de Van Woustraat trok de tekst JEUKERIGE HUID? HIER BINNEN KUN JE DE JEUK KWIJT RAKEN! de aandacht. Tussen Chinese tekens op de ramen stonden nog andere teksten.

STOP DEPRESSIE!
WEES GELUKKIG!

EEN PIJNLIJK LICHAAM? HIER BINNEN KUN JE DE PIJN KWIJTRAKEN!
STOP DE VERMOEIDHEID, UW ENERGIE TERUG!

Het was de T.C.G.-praktijk van therapeut Song. T.C.G. stond voor Traditionele Chinese Geneeskunde. Het was er smetteloos wit met een systeemplafond en TL-licht. Een Chinese vrouw in een roze schort nam met een doek een plastic bloemstuk af. Ze sprak geen Nederlands en ook geen Engels. Er waren vier cabines met een bed, waar behandeld werd. Onder elk bed lag een stapel handdoeken. Uit een van de cabines klonk een soppend geluid. Daarna geklop en zacht gekreun. Op een bankstel zat een man met baard. Hij had geen eczeem en keek op uit de Linda. Sinds 1987 slikte hij maagtabletten. Het vertrouwen in de reguliere geneeskunde was verdwenen. “Ze stoppen je vol met chemicaliën en niets werkt.” Een kale man met baard verliet met een doos tissues cabine 3. Achter hem kwam een Chinese vrouw van een jaar of veertig. Ze droeg een roze schort en laarsjes.


Therapeut Song.

Het consult was in een mengelmoes van Engels, Chinees en Nederlands. Ik zei dat ik kwam voor ‘jeuk weg’, ik moest een paar keer de tong uitsteken en er werd aan de pols gevoeld. Het lag allemaal aan de maag. Er volgde een lange reeks do’s en donuts. Ik mocht geen dieren meer aaien, geen salade, mint, rood vlees, ijs, pizza’s en hamburgers eten, geen bier drinken en niet in de wind lopen. Thuis moest ik ramen en deuren dicht houden en ik at voortaan alleen groente, gekookt zonder deksel op de pan. Ze adviseerde te experimenteren met komkommers, peren en appels uit de magnetron. “Erg lekker!” Ik kreeg een plastic tas, waarin kruiden, paddenstoelen, gedroogde konijnenkeutels, hout en boomschors zaten. Daarvan moest ik drie keer daags thee zetten. “Erg vies.”


Therapeut Song had vijf jaar gestudeerd aan de Yan Bin-universiteit. In 2002 was ze naar Nederland gekomen. Ze gaf een kleurige folder, waarin dankbare patiënten werden geciteerd. Haar rode mobieltje ging. De ringtone was Je t’aime… moi non plus. Uit haar bureaula kwamen foto’s. Van haar man, een Nederlander met kort haar. En van haar baby.
 Ze had stapels brieven van patiënten. Er zat een kaart met bloemen tussen, waarop met gouden letters de tekst ‘De kleine dingen in het leven dragen bij aan het grote geluk!’ was gedrukt. De dankbare patiënte had er in krullend meisjeshandschrift bij geschreven ‘You made the impossible possible.’ Daarna sprak ze nog even over eczeem. Ze had een meisje van tien behandeld. Dat kon niet meer lopen vanwege een opengesprongen huid. Na drie weken uit de wind, thee en acupunctuur waren de klachten verdwenen.

Ter hoogte van de Coffee Company trof ik de man met baard. Alle twee hadden we een witte plastic tas. Het was eind 2009. We gingen thuis thee zetten van boomschors, paddenstoelen en konijnenkeutels.

Over knaagdierenopvang thuis.

Komt in mijn bundel ‘Het is nooit leuk als je tegen een boom rijdt’, die in september verschijnt

 

Door Marcel van Roosmalen/Het Parool – Amsterdam, woensdag 23 december 2009

Knabbel en Babbel

Carolien Oornink (52) en Marja de Gooijer (ook 52) houden van dieren. In de houten noodwoning in de Pieter Zeemanlaan zaten ze naast elkaar op de bank. Ze keken naar het grote terrarium, waarin twee baardagamen zaten. Af en toe wierp Marja een blik op de televisie in de hoek.

Een herhaling van een show van Rudi Carell.

Marja zei: “Eerst stond de tv op de plek van het terrarium, maar als ik eerlijk ben, gebeurt er in het terrarium meer. Ze heten Jake en Jackie.”

Carolien: “Zal ik er een hand met krekeltjes ingooien? Of wil je ze vasthouden?”

Ze wachtte het antwoord niet af, liep naar het terrarium en haalde een van de reptielen eruit. Ze hield het voor het gezicht van het bezoek, dat tegelijkertijd werd besprongen door de hond Lima.

“Gelijk snuffelen en kennismaken, zo is-ie,” zei Marja. “Z’n oude baasje had chemicaliën over hem heen gespoten. Toen we ‘m kregen zat-ie onder de brandwonden. Z’n oor viel er af. We hebben er foto’s van. Die wil jij niet zien…”

Carolien: “Wij hebben ‘m het vertrouwen in de mensheid teruggegeven.”

Marja: “Lima! Wat doe je nu weer? Ga van het bezoek af! Nu!”

Daarna: “Hij bijt niet. Op het bed in de slaapkamer zit nog een hond. Een kleine. Die bijt wel. Wil je die ook zien?”

We kwamen voor de knaagdieren.

Carolien en Marja vingen al bijna twintig jaar zieke en gewonde knagers op in hun huis. Hun stichting heette Knabbel en Babbel.

Burgemeester Job Cohen had het stel een koninklijke onderscheiding opgespeld. De foto van die gebeurtenis stond op de tv. “Toen-ie van ons ridders maakte, zei hij: ‘Ik vind het knap met zoveel dieren in een beperkte ruimte’,” zei Marja. “Verder kreeg ik niet in de indruk dat hij veel van knaagdieren wist.”

Ooit hadden ze er wel honderd, maar sinds Carolien worstelde met haar gezondheid waren ze aan het afbouwen.

Er waren er nog zeventien.

Carolien kondigde aan dat ze in 2017 met pensioen wilde. Dan werd ook de woning gerenoveerd. Ze zei: “Als je het goed wilt doen, heb je vijftienduizend euro per jaar nodig. We zijn er fulltime mee bezig. Je kunt nooit op vakantie.”

In principe namen ze geen nieuwe knagers meer op. Maar een knaagdier in nood kent geen openings- en sluitingstijden, zo was het ook.

Carolien begon over ‘probleemknagers’. “Een voorbeeld van een probleemknager is het bijtkonijn. Mensen doen een konijn weg omdat het bijt. Een verwaarloosd konijn gaat bijten, logisch. Bijtkonijnen zijn door mensen getraumatiseerd. Wij zijn er om ze het vertrouwen in de mensheid terug te geven.”

We gingen naar de achtertuin.

Daar stond de blokhut die ze hadden gekregen van de dierenbescherming en ‘een rijkemensen-stichting’.

Het was weer bijna kerst.

Geen gemakkelijke tijd voor knaagdieren.

Daarom had Carolien de hokken versierd met verlichting. “Ons motto is: geen konijnen voor de kerst, maar kerst voor de konijnen.”

Ze zwaaide met een winterpeen voor het hoofd van een enorme Vlaamse reus, die Hummer heette.

Het beest reageerde en hapte toe.

“Een konijn heeft ook gevoel,” zei Carolien. “Als ik langsloop, gaan ze op hun achterpootjes staan. ‘s Ochtends en ‘s avonds doen we knuffeluur. Als ik met pensioen ben, ga ik een boek schrijven over het gevoelsleven van knagers.”

Marja hield een ander konijn in de lucht. “Kijk. Drie pootjes. Die hoorde bij een gezin uit een huis met een balkon. Dan weet je het wel.”

Geloof in pas-sie, o-ver-tui-ging

DOOR Marcel van Roosmalen | nrc.next 29 juni Werk & Geld
Marcel van Roosmalen bezoekt de eerste Utrechtse Ondernemersdag.

In de Jacobikerk werd voor de eerste keer de Utrechtse Ondernemersdag georganiseerd. We troffen inderdaad een kerk vol Utrechtse ondernemers, de meesten hadden zich voor de gelegenheid extra mooi aangekleed. Ze zwierven met hun visitekaartjes langs de gebruikelijke kraampjes waar andere ondernemers hun waren hadden uitgestald. Na twintig minuten had ik twee oesters, drie Japanse hapjes, een fairtrade-banaan en een stuk quiche gegeten, een glas biologische landwijn gedronken, liep ik rond in een spuuglelijke lichtblauwe sweater van een plaatselijk radiostation en had ik visitekaartjes van een kalendermaker, een jurist en een filmer.

Op het hoofdpodium sprak een man over het fenomeen ‘netwerken’. „Dat betekent letterlijk: met elkaar in contact komen. Gefeliciteerd! Dat bent u aan het doen.” Hij stelde voor om – ‘een, twee, drie!’ – allemaal een visitekaartje in de lucht te gooien en om die dan later op te rapen, ook een methode.

Tijd voor de hoofdgast: Hans van Breukelen, ex-keeper van het Nederlands elftal. Hij kwam vertellen over ‘de zeven pijlers van succes’. Uit de geluidsinstallatie klonk een opzwepend nummer. We zagen Hans in een driedelig pak naar het podium rennen, op het podium springen en daarna de vuisten ballen. Hij was er klaar voor, hij had er zin in, ik nog niet. Het was even wennen, zo’n man in de war.

Hans zei dat het precies 23 jaar geleden was dat hij met het Nederlands elftal van Duitsland won. „U weet vast nog wel waar u toen was, met wie u was en hoe dronken u geworden bent. Ik weet ook nog waar ik was: op het veld! Een jaar eerder had een Belgisch tijdschrift nog geschreven ‘Hans van Breukelen: een geboren verliezer’.”

Hij sprong van het podium en duwde een microfoon onder het gezicht van nietsvermoedende Utrechters. Ze moesten zeggen wat de sleutels tot succes waren.
De antwoorden – volharding, inzet, doorzettingsvermogen en samenwerken – bevielen hem, de opmerking ‘ik zou het niet weten’ viel fout.
Hans, schreeuwend: „We doen het omdat we het zo leuk vinden! En ’s nachts in bed zeggen we tegen de partner: ‘ik doe het ook voor jou…’.”

Een bulderend gelach steeg op.
Die Hansie…
Hans liet een fragment zien.
Paul Potts weer, die kansloze postbesteller uit Engeland die Idols won, het verhaal is bekend.

Hans zei dat iedereen kon leren van Paul Potts, de wedstrijd duurde negentig minuten, er kon altijd nog een goal vallen. Je moest erin geloven.
„Weet u waar ik in geloof? In pas-sie! O-ver-tui-ging!”
Hij was laatst Marco van Basten, ook een Utrechter, tegengekomen.

„Ik zei: ‘Hee Bassie, waarom ben jij de beste spits ter wereld geworden?’ Bassie keek me aan en antwoordde: ‘Wat een rare vraag Breukie, omdat ik dat wilde.’ En daarna vertelde hij over het Utrechts jeugdelftal waarin een jongen zat die eigenlijk nog beter was. Hij had er nooit meer wat van gehoord. Die was een eigen kroeg begonnen, waarin hij jongeren professioneel leerde drinken. Dat is het verschil… Pas-sie!”

Nadat Hans nog een paar keer gezegd had dat we positief moesten denken, we ons moesten richten op de dingen waarin we goed waren en dat iedere dag nieuwe kansen bood, nam hij afscheid. Hij danste op een feelgoodnummer, zwaaide naar de mensen en sprong van het podium.

Een paar uur later trof ik ’m weer. Hij zat naast me, kluivend aan de kippenbout bij het afsluitende diner. Hij sprak over zijn voetbalcarrière, de tijd in Engeland was het mooist. „Toen ik bij PSV speelde vond ik het jammer dat Eindhoven geen stad in Engeland was.”

De dag ervoor had hij een groep stadswachten toegesproken. Net zo lang totdat ze weer zin in hun werk hadden. „Ze vlogen de straat op”, zei Hans. „Jammer dat er altijd managers zijn die het enthousiasme temperen.”

Aan zijn andere kant zat een Utrechtse ondernemer, hij deed iets in de mobiele telefonie. Hij sloeg een arm om Hans heen en zei: „Hee Breukie, mag ik wat vragen?”
„Als het maar niet mijn pincode is”, grapte Hans.
„Nee”, zei de man. „Ik vroeg me af waar je die onzin vandaan haalt. Gaat het wel goed in de kop?”

Schrijver Marcel van Roosmalen neemt wekelijks een kijkje op de werkvloer. Wil je Marcel op bezoek? Mail naar werk@nrc.nl

 

 


Hans van Breukelen danste op een feelgoodnummer, zwaaide naar de mensen en sprong van het podium. Foto Jan-Dirk van der Burg

 

Alles is de schuld van internet

DOOR Marcel van Roosmalen | nrc.next 20 juli Werk & Geld
Schrijver Marcel van Roosmalen bezoekt deze week de braderie in Vinkeveen en de Albert Cuypmarkt.
 
Fotograaf Jan-Dirk en ik bezochten de braderie in Vinkeveen, in alles een slechte keuze. Omdat het zomer was hadden we op verzoek de focus naar ‘buiten’ verlegd, want ook daar werd gewerkt. De ‘handel’ leek me wel wat, in economisch moeilijke tijden neemt het aantal scharrelaars toe, een bewezen feit.Zelf behoorde ik korte tijd tot dit leger ongelukkigen, ik zat met een vriend in de pannenkoeken, een product waarmee we geen risico liepen. Andere koek dan de ‘collega’s’, die ik op diverse braderieën en jaarmarkten ontmoette. Het woord ‘collega’ staat bewust tussen aanhalingstekens want iedereen was volledig gefocust op zichzelf. En op geld, want daaraan was een groot gebrek.

Willem de Vries uit Amersfoort was al in de zeventig en hing gewoonlijk in een knalroze outfit onderuit gezakt in een klapstoel, een sigaar in de mond. Om de nek een gouden ketting waarop met briljantjes zijn naam stond.

Hij zat al vijftig jaar in de autopoets en had veel verdiend met Plastico Car Cosmetics, dat je in de lengte moest uitwrijven en niet in de breedte. „Want je rijdt niet overdwars.”
Naast zijn kraam stond, dwars over de stoep, zijn grijze Jaguar geparkeerd. Die smeerde hij onder met teer om het er daarna met Plastico weer probleemloos af te halen.

Als zich een belangstellende meldde die vroeg of je met Plastico ook koper kon poetsen maakte hij een van zijn standaardgrappen. „Alles kan”, zei hij dan, „maar je moet er niet je tanden mee gaan poetsen.”

Daarna: „Moedertje doe je tas open.”
„Waarom?”
„Nou, dan stop ik het er in.”
Volgens Willem lag de economie ‘in de kist’.

Alles was de schuld van internet.

„Je hebt tegenwoordig honderdduizend verschillende soorten poetsen. Je wordt er gek van. Vroeger liet ik hele vrachtwagens met shampoo rijden vanuit het oosten, die had ik dezelfde dag nog verkocht. Als ik nu een nieuw gezicht op de markt zie, stap ik erop af en zeg: ik zou het niet doen. Je ziet ze vaak lijden met hun product. En plotseling zijn ze verdwenen. Iedereen heb z’n eigen leed.”

Op de Albert Cuyp in Amsterdam ontmoette ik de vriendinnen Lydia de Ruit – „Ik mag mezelf de beste vrouwelijke marktvrouw van Nederland noemen” – en Jannie van Loon. Alle twee met een handdoek op schoot, klaar om hun ontharingsapparaat Sundepil te demonstreren.

Jannie riep naar voorbijgangers.
„Nooit meer harsen, niet meer scheren of epileren… Nooit meer de gestoffeerde bovenlip.”
Er was niemand in geïnteresseerd.
Lydia was blij dat ze hun andere product – ‘de enige echte vlekkenzeep’ – in de achterbak van de bestelbus had gelaten. „Die demonstratie duurt twintig minuten. Het is hopeloos.”

Ze stak de ene na de andere Marlboro op en zei dat ontharen de toekomst had. „Wielrenners doen het ook. Lekker fris.”
En zo was er een heel leger.

Van de vrouw met de eeltkrabbers – een plastic doosje waaraan een rasp zit – tot een Turkse familie met simlockvrije iPhones en een man met EHBO-pakketten: allemaal zagen ze ooit gouden bergen en zaten ze nu met een schuur vol handel.

De standplaatsen op braderieën werden verdeeld door StarPromotions, een bedrijf uit Bleiswijk dat bijna een monopolie had. Ene John, een magere man met een pokdalig gezicht en een enorme sleutelbos aan de riem kwam het ‘sta-geld’ persoonlijk innen en controleerde de kramen.

‘Klagers’ kwamen op een zwarte lijst, wat een achteraf plaats op een volgende braderie of jaarmarkt betekende. Het sta-geld, een euro of zeventig, werd door vrijwel niemand terug verdiend, wat het enorme verloop onder de handelaren verklaarde.

De enige echt vrolijke handelaar die ik ooit ontmoette was de heer Hans Rigter, bijgenaamd de ‘spraakwaterval uit Zwartsluis’. Hij sprak mensen aan op rijm, want daar was hij beroemd om.

Hallo daar in je korte broek…
Wat doe je met dat opschrijfboek?
Of handel je in pannenkoek?
En zo ging dat maar door, een man kortom naast wie je met je handel liever niet stond.

„Het maakt niet uit wat je verkoopt, maar hoe je het verkoopt”, zei Hans, terwijl hij voor een mevrouw een verrassingspakket van wel twaalf potten zalf en crèmes samenstelde. Hij verkocht schoonheidsproducten, maar hij had ook wonderdoekjes, kersenpittenzakken en Belgische spekken. „Ik ben een beetje aparter dan de rest”, zei Hans. „Als ik op de Veluwe ben zet ik een kartonnen doos op mijn hoofd. Dat onthouden de mensen.”

In Vinkeveen waren geen klanten.
Twee scootmobiels crosten door grote plassen water langs de kramen. Ik stond even stil bij een mevrouw die rollen bakfolie verkocht.
„De pan blijft schoon, de jus trekt in het vlees”, zei ze zo enthousiast mogelijk.

Er was haar bij de aanschaf van ‘een paar pallets’ verteld dat Nederland op zoiets zat te wachten. Ze had er nog weinig van gemerkt, maar als ze thuis kwam van een dag hard werken gebruikte ze het zelf wel altijd. „En ik moet zeggen… Ideaal!”

Voor de Kring Apotheek stond de met blauw plastic versierde kraam van een handelaar in hapjespannen. Hij liep mank vanwege ‘een bloeding’, iets waar bevriende handelaren met enige regelmaat naar vroegen.

„Hoe is het met je broer en de bloedingen?”
Dan trok hij een somber gezicht.
„Bloedingen… dat is veel belangrijker dan geld.”

Voor fotograaf Jan-Dirk, die daar schijnbaar interesse in had, kwam hij met een recept voor ‘suddervlees’, een lekkernij uit het oosten van het land waarbij ‘de vleesklompen totaal zijn gesmoord’. In zijn hapjespan duurde zoiets drie minuten.

Hij had twee pannen verkocht, niet veel, maar hij had goede hoop dat het product zichzelf ging rond spreken.

„Wellicht ook wel via de twitters.”
En voor de rest hield hij zich vast aan een oude braderieregel.
„Als ik maar straal, dan komen de mensen vanzelf.”

Schrijver Marcel van Roosmalen neemt wekelijks een kijkje op de werkvloer. Wil je Marcel op bezoek? Mail naar werk@nrc.nl

 

 

 

 Marktmensen voeren elkaar. Foto: Jan-Dirk van der Burg

 

 
 

People + planet = profit

DOOR Marcel van Roosmalen | nrc.next 22 juni Werk & Geld
Schrijver Marcel van Roosmalen bezoekt deze week een accountantbijeenkomst.
In het Beatrix-Theater te Utrecht kwamen accountants bij elkaar voor de themabijeenkomst ‘Zichtbaar verantwoorden mvo in het mkb’, in gewoon Nederlands: ze lieten zich voorlichten over duurzaam ondernemen.

Marc Schweppe was voorlichter van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants en ontving ons met een print van het programma. Marc was een voorlichter van het verfrissende soort: hij nam het leven niet te zwaar, hij had vier dochters, zijn favoriete auto was de Alfa Romeo en in zijn vrije tijd deed hij aan ‘schrijverij’. Hij had een eigen weblog, zijn laatste bijdrage ging over ‘rode schoenen’, een verschijnsel dat je in de accountantswereld niet vaak zag.

„Even terugkoppelen”, zei Marc en hij begon aan een verhaal over accountants die in hun praktijk steeds meer vragen kregen van klanten over duurzaamheid. „Accountants krijgen meer een adviesfunctie, daar zit een verdienmodelletje aan vast. Ze willen hun klanten graag adviseren over ‘duurzaamheid’: dat ze een velletje minder moeten printen en ze vertellen hoeveel liter water er nodig is voor een kopje koffie, dat soort zaken.”

Hij sloot af met: „Het is ontluisterend hoeveel beroep er wordt gedaan op de natuurlijke bronnen van deze aarde.”
Met de vinger liep hij door het programma.
Hij dacht dat er een aardige hoeveelheid ‘sprekers van niveau’ op het podium kwam te staan, hij kon Willem Lageweg aanraden. „Dat is een goede prater.”

Een kwartier later hingen we onderuit gezakt in het Beatrix-theater te luisteren naar Willem Lageweg, directeur van het platform maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo), een man die de hele tijd zijn bril op en afzette en in een razend tempo een ongekende hoeveelheid sheets behandelde. Hij was een slecht spreker. Hij zei dat we er met z’n allen fris uitzagen en dat we een interessant thema ‘bij de kop’ hadden.

Duurzaamheid was volgens hem ‘een moving target’ wat accountants het best via ‘de viertrapsrakket dare – share – care – no hot air’ aan de klant konden verkopen.

Daarna kwam hij tot de essentie: „people + planet = profit.”
De accountants reageerden enthousiast: hier werd wat hen betreft de kern geraakt.

De heer Lageweg nam de bril af en keek de zaal in, hij herhaalde de people + planet = profit-boodschap en trok zelf de conclusie dat we met z’n allen, op deze vroege, regenachtige ochtend, de kern te pakken hadden.

Hij kondigde de volgende spreker aan: Jan Rijken, een man met een eigen accountantspraktijk en een vrolijk warrig kapsel, die meteen ook maar begon met het voorlezen van door hem zelf volgeschreven sheets.

We zagen schema’s, tabellen en uitspraken, waarbij de zin ‘Zoek een kantoorboegbeeld dat de duurzaamheidskar wil trekken’ bleef hangen.

Ik keek over mijn schouder de zaal in.
Daar zaten, hingen en lagen accountants, bijna zonder uitzondering in een duur pak. Als een klant wat wilde weten over duurzaamheid zouden ze ’m vertellen dat ze een kantoorboegbeeld moesten zoeken en dat duurzaamheid ‘willen’ was en niet ‘moeten’ en daarna kwam de rekening op duurzaam papier.

Na nog een spreker die begon over zijn elektrische Toyota Prius was het eindelijk pauze. Er waren broodjes zalm, kommetjes met sla, toastjes met kruidenpasta en enorme fruitschalen met peren en bananen, duurzaam geplukt.

Ik sprak met wat accountants.
Ze hadden er net als ik weinig van begrepen, behalve dan dat je met je tijd mee moest en dat duurzaamheid een thema was waar een bult subsidies aanhingen, iets waar de klant altijd op gespitst was.

Een accountant uit Leiden at een banaan. Dat had niets met duurzaamheid te maken, hij was op dieet. Duurzaamheid was volgens hem ‘een lange weg, waarop je diverse afslagen kon nemen’. Moeiteloos schakelde hij over op het fileprobleem, hij had die ochtend weer eens drie kwartier vast gestaan.

We begonnen over de trein, het Beatrix Theater lag naast het Centraal Station. Hij had er nog nooit over nagedacht, over ‘die grote gele banaan’, maar na een kort zwijgen verwierp hij de gedachte dat hij er ooit in zou gaan zitten. „Dan ben je de controle totaal kwijt. Een goed ondernemer zit achter het stuur.”

Weer een wijsheid rijker verlieten we het theater, de zakken gevuld met een broodje zalm en een peer.

Schrijver Marcel van Roosmalen neemt wekelijks een kijkje op de werkvloer. Wil je Marcel op bezoek? Mail naar werk@nrc.nl

 

 


Themabijeenkomst van accountantants in het Beatrix-theater. Foto Jan-Dirk van der Burg

 

“Marcel van Roosmalen, een wereldvreemde, onverzorgde subsidiekunstenaar in kleren die net niet passen met een verheven moraliteit.”

Boekhandel in winkelcentrum Kronenburg

 
Cult dit.
Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.