In Duitsland voetballen ze weer. Wolfsburg verloor im DFB Pokal van RedBull Leipzig, een kutclub.

Door Marcel van Roosmalen/NUSport, april 2011

Af en toe zag ik in Nederlandse stadions wel eens een spandoek hangen met de tekst ‘Tegen het moderne voetbal’, ik had me nooit zo in de achtergrond ervan verdiept. Zelf ben ik supporter van een club die is opgekocht door een Georgiër, wellicht is dat de oorzaak.

In Duitsland liep de strijd tussen de ‘traditionalisten’ en de ‘commercielen’ de laatste jaren uit de hand. Na de ongekende promotiereeks van het Hoffenheim van miljardair Dietmar Hopp meldde frisdrankfabrikant Red Bull zich in 2009 in Leipzig. De multinational wilde er een club kopen. Omdat de Traditionsvereine Sachsen (het vroegere Chemie) Leipzig en Lokomotiv de clubkleuren en de naam niet wilden veranderen, kwam er honderd miljoen euro terecht bij vijfdeklasser SSV Markranstatt uit een buitenwijk van Leipzig. De naam van de club werd veranderd in het bespottelijke RasenBallsport Leipzig, want de Duitse wetgeving verbiedt het dat een club naar een merk genoemd is. Het doel van Red Bull is om met RB Leipzig zo snel mogelijk in de Bundesliga te komen, waarin Oost-Duitse clubs ontbreken.

Gebeld met de nieuwe club, na een snelle promotie inmiddels actief in de Regionalliga Nord, zeg maar de Duitse vierde divisie. We waren welkom, meer dan welkom zelfs. Ze speelden inmiddels niet meer in het kleine Stadion am Bad, maar in de Red Bull Arena, het vroegere Zentralstadion, een gigantische bak waar ruim 44.000 toeschouwers in kunnen. Red Bull investeerde ook dertig miljoen in een nieuw trainingscomplex aan de rand van de stad, tot dat af is werd er getraind op de velden van de regionale voetbalbond.

De muren van het hoofdgebouw waren beklad met anti-RedBull-leuzen. Op het veld onderwierp trainer Tomas Oral – een klein, schriel mannetje – zijn spelers aan een typisch Duitse training. Met zijn assistenten had hij een enorm parcours uitgezet, we zagen de spelers anderhalf uur tussen pionnen zigzaggen en over linten springen. Als een speler niet snel genoeg ging, blies hij op zijn fluit. Langs het veld een handvol fans van lijstaanvoerder Chemnitzer FC, speciaal gekomen om de spelers van RB Leipzig uit te lachen. Tegen ieders verwachting stond RB op een schamele vierde plaats. Ter hoogte van de cornervlag Pressechef Hans-George Felder, een pokdalige man van eind veertig. Hij zat in zijn Audi, op de stoel naast hem zijn bejaarde moeder, vanwege de regen stonden de ruitenwissers aan.

Ik klopte op het portier, moeder en zoon nodigden me uit op de achterbank. Moeder monsterde me in de autospiegel, een beetje bozig, het bezoek viel tegen. Ze hadden gedacht dat ik een scholier van een schoolkrant was, ze hadden het al vreemd gevonden, een jonge knul helemaal alleen uit het verre Holland. Maar dit was andere koek!

Presse-Chef Hans-George Felder borg de meegenomen snoepzak en de kleurplaten van clubmascotte Bullie snel op in het dashboardkastje en stelde voor om even van de training te genieten en later in de kantine een gesprek te hebben. We keken door de beslagen ramen van de Audi naar de huppelende spelers, een beetje saai. Moeder Felder stopte een zakdoek in haar mond en wreef daarna voorzichtig een streep jam van de wang van haar zoon, die daar zichtbaar ongemakkelijk van werd.

“De inzet is weer hartverwarmend”, zei de Presse-Chef, “iedereen doet vol vuur mee aan de oefeningen ook onze nieuwe ‘Kreatievspieler’ Thiago Rockenbach (ex-Werder Bremen) en oud-international Ingo Hertsch.”

Hij vond die inzet ‘typisch Red Bull’, een opmerking waar ik zo snel geen antwoord op had. Moeder pakte een boek uit haar handtas, ze wilde lezen. Tijd om naar de kantine te gaan.

We zaten in een verder verlaten bar. Hans-George trakteerde op Sinas uit de automaat en verexcuseerde zich een keer of tien voor de rare ontvangst. Hij was in dienst van Red Bull, een miljoenenbedrijf, het gaf geen pas om een journalist van een gerenommeerd tijdschrift zo te ontvangen. Met een snoepzak… Wat moesten ze in Holland wel niet denken? Hij hield van zijn moeder, ze deden sinds de dood van zijn vader veel samen, daar moest ik verder niets achter zoeken.

Holland ach… hij had er mooie herinneringen aan. In een ver verleden speelde hij in het nationale korfbalteam van Duitsland. PKC uit Papendrecht, zei die naam me iets? Daarna begon hij over de Hollandse voetbalschool. Ajax, Feyenoord, PSV, Marco van Basten, Johan Cruyff, de verloren WK-finale… de bekende riedel.

Ik begon over Vitesse.

Ach ja, aus Arnheim… hij had er over gehoord. Die gingen met een miljoentje of zestig de Nederlandse top bestormen, niets vergeleken bij Red Bull dat honderd miljoen had gereserveerd om RB Leipzig naar de Champions League te brengen.

Logeerde ik in de stad?

Had ik al iets van de Red Bull-fieber geproefd?

Niet echt.

Hij zuchtte.

Oost-Duitsers snakten naar Bundesliga-voetbal. RB Leipzig was de laatste hoop. “Op het moment dat wij Bundesliga spelen, zit het stadion gewoon vol.” Maar, en dat gaf hij wel toe, de tegenstand van de ‘traditionelen’ – mensen die alles bij het oude wilde laten, niet met hun tijd meegingen en tegen commercie in het voetbal waren – was groter dan verwacht.

Eens in de zoveel weken kon hij weer naar de politie. Aangifte doen omdat er weer een Jungbull – de benaming van jeugdspelers van RB Leipzig – was afgetuigd in de stad. Al bij de eerste uitwedstrijd na de overname liep het uit de hand.

“Waar we ook komen, de spelersbus wordt bekogeld met tomaten en flessen. We krijgen altijd een speciale politie-escorte. Als onze spelers het veld opkomen klinkt een massaal ‘Scheiss Red Bull’. We zijn al een keer weg moeten vluchten. In Jena kwamen ze de hekken over, toen hebben onze jongens moeten rennen voor het leven. We zijn zo snel mogelijk weg gereden met onze luxe bus. En aan het begin van vorig seizoen was het gras van ons trainingsveld bewerkt met landbouwgif. Al het gras dood! Wie doet zoiets?”

Hij zwaaide met zijn vinger.

“Maar onze thuiswedstrijden zijn een feest voor het hele gezin! En Red Bull geeft niet op, onze sponsor houdt van uitdagingen!”

De volgende dag was er een wedstrijd in het immense stadion. Honderden beveiligers controleerden alles en iedereen. Ik mocht in de businessbox van de stadioneigenaar zitten, een merkwaardige man met een verwaaid kapsel die maar bleef praten over de oranjemars door het centrum van Leipzig tijdens het WK van 2006.

Fans van het Nederlands elftal waren een voorbeeld, zo ongeveer moest het legioen van RB Leipzig zich ook gaan gedragen. Hij zag het al voor zich hoe duizenden Leipzigers op zaterdagmiddag door de stad marcheerden, in hun witte shirts met dat schitterende stierenlogo, het clublied ‘Bullies nach vorne‘ zingend.

Even later klonk het clublied door de geluidsinstallatie, een fantasieloze tekst.

Hey hey, wer jetzt hüpft ist für RB!

Hey hey, wer jetzt hüpft ist für RB!

Hey hey, wer jetzt hüpft ist für RB!

Hey hey, wer jetzt hüpft ist für RB!

Wer nicht hüpft, kommt nicht aus Leipzig, HEY HEY!

We stonden op een groot plateau met een fantastisch uitzicht over het stadion. De stadioneigenaar roemde de atmosfeer.

“Het kan hier spoken.”

Dat was in de clubhistorie een keer gebeurd: bij de derby tegen Lokomotiv waren vorig jaar meer dan elfduizend toeschouwers, al moest hij toegeven dat de meeste aanwezigen fan van de tegenstander waren. Die dag waren er 2736 toeschouwers, maar de stadionspeaker deed alsof we met veel meer waren. “Hi“, schreeuwde hij door de geluidsinstallatie. “Gu-ten-mit-tag Red Bullies! I say: Hal-lo.”

Daarna las hij langzaam en met overslaande stem de voornamen van de spelers op, het was de bedoeling dat het publiek de achternamen zou scanderen, maar dat gebeurde niet.

“Onze supporters zijn successupporters”, zei de eigenaar van het stadion. “Dat is geen probleem want er komen hier gegarandeerd successen. En dan zit het vol.”

Het tweede team van HSV werd eenvoudig opgerold. Doelpunten werden in eenzaamheid gevierd. In de verte zag ik perschef Hans-George Felder zijn moeder omhelzen. Na afloop trof ik mascotte Bullie bij het koud buffet voor de sponsors. Hij bleef iedereen tot het einde toe vermaken en stond naast een bak worsten met zijn hand bewegingen bij het hoofd te maken zodat iedereen wist dat het lekker was. Hij had in zijn korte carrière al veel meegemaakt. Naar uitwedstrijden ging hij niet meer, niemand vond hem er leuk. Ze hadden hem in Chemnitz aan zijn staart getrokken en in Kiel ws hij geschopt. Hij was er onder politiebescherming naar de bus gebracht, net als de spelers overigens.

De Pressekonferenz werd bijgewoond door drie journalisten, mascotte Bullie, waarin een plakkerige jongen bleek te zitten, en de voorzitter van fanclub Bulls Club, die tevens verslaggever van RB Leipzig Radio was. Trainer Tomas Oral zei dat promotie misschien toch nog mogelijk was. Hij dankte Bullie voor het opjutten van het trouwe thuispubliek. Hij wees erop dat het toeschouwersgemiddelde van RB Leipzig met 5377 het hoogste van alle clubs uit de Regionalliga was.

Dat de helft van de aanwezigen een zichtbaar gebrek had, deed er niet toe. Toeschouwers waren toeschouwers. De voorzitter van fanclub Bulls Club knikte instemmend. Fijn dat de trainer de fans een keer bedankte. Hij heette Stephan, het was een vriendelijke jongen met een bril. Het was niet altijd makkelijk om in het openbaar van zijn liefde voor RasenBallsport Leipzig te getuigen, veel van zijn collegafans waren wel eens afgeranseld. En ja, op het eerste gezicht zagen ze er misschien wat klunzig uit, maar ze waren met steeds meer. Wat hen bond was misschien juist wel een gevoel van herkenning: ze waren het gewend om uitgelachen te worden. Ze werden ook steeds inventiever in het verzinnen van ‘kwetsende spreekkoren’ om terug te zingen als ze bij uitwedstrijden weer eens werden begroet met een massaal ‘Scheiss Red Bull Scheiss’.

“Dan zingen we:

Wenn wir wollen, kaufen wir euch auf!

Wenn wir wollen, kaufen wir euch auf!

Dan worden ze vanzelf stil.”

Hij voegde eraan toe dat over een paar jaar alle normale mensen uit Leipzig achter RB zouden staan.

Presse-Chef Hans-George Felder onderbrak het gesprek. Ik mocht sterspeler en tweevoudig Duits international Ingo Hertsch een vraag stellen. Ik vroeg hem hoe hij het vond om voor RB Leipzig te spelen.

“Het is natuurlijk nooit leuk om regelmatig met de dood bedreigd te worden”, zei de speler, “maar voor de rest bevalt het goed.” Een paar weken later schreef ik dit artikel.

RasenBallsport Leipzig had opeens weer kans op promotie naar de 3e Liga. Dan moest de uitwedstrijd tegen het tweede van VFB Wolfsburg gewonnen worden. ‘Die Bullen wollen Wolfen jagen’, kopte de website. Optimisme dat niet langer gedeeld werd door Presse-Chef Hans-George Felder. Binnen de club vonden ze hem bij nader inzien toch ‘te dictatoriaal’. Hij joeg journalisten van het speelveld, had gesnauwd tegen medewerkers van het door hem zelf opgerichte TV Station RB Leipzig, maar het werd hem vooral aangerekend dat hij zich laatdunkend had uitgelaten over het spel- en denkniveau van de clubs in de Regionalliga Nord.

Hij was ontslagen. Ik ontving mail van een teleurgesteld mens. Hij hoefde het stuk niet meer voor publicatie te lezen, als dit de wetten van het moderne voetbal waren hoefde het wat hem betreft niet meer. Pluspunt was dat hij niet langer met de dood bedreigd werd. Zijn moeder deed de groeten.

Reageer

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

%d bloggers op de volgende wijze: