http://www.selexyz.nl/product/9789029087599
Door Marcel van Roosmalen/Torpedo Magazine, 2007
Na het mini-succes van mijn boekjes Op pad met Pim – over Pim Fortuyn – en Op campagne met oranje – over Beatrix – besloot ik de zaken wat grootser aan te pakken. Ik schreef brieven naar Fidel Castro, Hugo Chavez, George Bush, Mummar Khaddafi en koning Albert van België. Daarin stond wat ik van hun land vond – erg mooi – en dat ik graag een boekje over ze wilde schrijven. Of het mogelijk was om een paar maanden, korter mocht ook, met ze mee te lopen? De respons viel tegen.
Anderhalf jaar later was er opeens post terug. Het was een brief van meneer Ali A. Berbash van het Libische consulaat in Den Haag. Mijn verzoek was in behandeling. Of ik een lijst met vragen wilde opsturen, die ik ‘The Leader of the Al Fatih Revolution President Mummar Qaddafi’ zou willen stellen? Ze wilden ook wat informatie over mij – ‘curriculum vitae, philosophy, fields of interest‘ – en vooral veel informatie over mijn uitgever. Wat voor boeken hij nog meer uitgaf? Wat zijn philosophy was? En wat voor soort mensen zijn boeken lazen?
Ik deed mijn cv en de najaarscatalogus van Prometheus in een envelop en schreef er een mooie brief bij. Ik schreef dat de baas van uitgeverij Prometheus Mai Spijkers heet en dat zijn doelgroep – alle Nederlanders – vrij breed is. En dan tja, de vragen…
- Waarom de leider van de Al Fatih revolution in een tent woont?
- Of hij echt alleen maar vrouwelijke lijfwachten heeft?
- Hoeveel vrouwen en kinderen hij verder heeft?
- Wat zijn lievelingseten is?
- Wat hij van Nederland vindt?
- Van welke voetbalclub hij fan is?
Dat soort dingen. En natuurlijk de belangrijkste vraag: of ik een tijdje met hem mee mocht lopen?
Inmiddels had zich ook een reisgenoot gemeld. Het was de kunstenaar A. Andreas, een goede vriend. Hij had ooit een cursus ‘Hoe zeg ik het in het arabisch?’ gevolgd en hij had zin in avontuur. Zijn vrouw en kinderen vonden het goed. Sterker: ze waren blij dat hij even weg was, want sinds hij zonder werk was, zat hij in wat hij zelf omschreef als ‘een destructieve artistieke fase’. Hij maakte filmpjes, maar bij de omroepen wilden ze zijn werk niet en dus projecteerde hij dit ‘s nachts op gebouwen in de Amsterdamse binnenstad. Dankzij mij had hij een nieuw doel: “Khaddafi filmen en dat dan projecteren op het voormalige Shell-hoofdkantoor in Amsterdam-Noord.”
Jammer dat de Libiers niets meer van zich lieten horen. Als ik naar het consulaat belde, kreeg ik iemand aan de lijn die maar twee woorden Nederlands sprak: “Jaja.”
En dus gingen we een paar weken later maar naar het consulaat. Het was een witte villa achter een hoog hek aan de Parkweg in Den Haag. We drukten op de bel en zwaaiden naar de camera. Pas na tien minuten verscheen er een vrouw met een beige sluier, die bijna alles boven haar schouders bedekte. Op haar neus stond een grote bril. Omdat het zo hard regende, liet ze ons binnen. Ze wees naar de lucht en leerde ons een Libisch spreekwoord: “In Libië zeggen we: Het regent als een koe die plast.”
De consul was er niet. Die was er alleen soms op woensdagmiddag. Dan zette hij stempels in paspoorten en als hij daarmee klaar was, pakte hij de verzamelde post en nam die mee naar het kantoor in Brussel. Ik legde ons geval uit. Dat ik een brief had gestuurd, dat er een brief was terug gekomen, dat ik weer een brief had gestuurd en dat ik daarna niets meer had gehoord. De vrouw stelde me gerust: dit was op het Libische consulaat de gebruikelijke gang van zaken. Ze liet ons de kamer van consul Ali B. Berbash zien. Hij had een mooi, houten bureau met een lekkere stoel. Op de hoek van zijn bureau lag een stapel ongeopende post. Mijn envelop zat er niet tussen. Volgens de mevrouw met de beige sluier was dat goed nieuws.
Ze ging met Brussel bellen, maar eerst stopte ze ons in de wachtruimte. De wachtruimte was een vierkant hok, waar alles grijs was. Op een tafeltje lag een oude krant: The Libyan Times. Daarin stonden tekeningen van George Bush. Hij had hoorntjes op zijn hoofd en ook een staart. De krant was snel uit.
We bekeken de afbeeldingen van Khaddafi aan de muur. Hij stond in uniform voor een tank, met een soort tulband op het hoofd voor het parlement en – onze favoriet – met een maïskolf in de hand zittend op een rode tractor in een verder verlaten weiland.
“Mooie foto’s, hè?”, zei de gesluierde vrouw.
Ze had gebeld met Brussel en bracht slecht nieuws. Meneer Ali wilde mijn tweede brief niet doorsturen naar Libië. Hij wist zeker dat ze er in Tripoli niet enthousiast over zouden zijn.
“Waarom niet?”, vroeg ik.
Het antwoord – ‘Daarom niet’ – bevredigde niet echt.
Er kwam nog meer slecht nieuws: we kregen ook geen visum. Als we perse naar Libië wilden, moesten we maar een groepsreis bij Azur-reizen in Beverwijk boeken.
Andreas begon in het arabisch te praten. Daarna moesten we het pand uit.
“Wat zei je?”, vroeg ik toen we weer voor het hek stonden.
“Dat weet ik niet, precies”, zei Andreas. “Gewoon een complimentje. Iets als ‘Achter het gordijn zit een mooi gezicht’.”
Een paar maanden later zaten we in een Tunesische trein. We hadden gehoord dat er bij Tunesisch-Libische grens wel eens toeristen werden doorgelaten. De trein zou ons naar Sfax brengen. We hadden de allerduurste kaartjes gekocht – comfort class - en lazen elkaar voor uit de Lonely Planet. ‘Geen noemenswaardige attracties’ stond er over Sfax te lezen. ‘Een industriestad.’
De trein piepte en kraakte en stopte na drie kwartier in Monastir. Daar kregen we gezelschap van drie heren in korte broek. Een ging er uit het raam hangen en riep: “Ja hoor! Smalspoor!”
Het waren Nederlanders. Ze waren lid van de Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het spoor en tramwezen, de NVBS. Ze waren bezig met een zelf verzonnen excursie, waarvan een verslag zou verschijnen in het blad Op de rails. Of ze in Sfax onze treinkaartjes mochten hebben? “Voor het plakboek.”
Zelf hadden ze geen treinkaartjes. “Wij reizen met een Carte Bleu. Zeven dagen treinen door Tunesie voor 58 dinar.”
Jammer dat het spoorwegnetwerk in Tunesië maar een paar trajecten kende en ook jammer dat er vanwege de ramadan een aangepaste dienstregeling van kracht was. Eigenlijk reden er alleen maar treinen tussen Sfax en Tunis.
De grootste van de drie toverde een zak biscuits uit zijn rugzak en zei: “We gaan gewoon een paar keer op en neer. Ook leuk.”
Daarna ging hij de trein verkennen. Vooral de koppeling tussen twee treinwagons maakte indruk. Toen hij terug kwam ging hij op zijn biscuitjes zitten en zei: “Je raad nooit wat we nu weer gezien hebben..”
Het antwoord werd inderdaad niet geraden.
Een paar uur later namen we afscheid. Ze hingen uit het raam en zwaaiden. “Groeten aan Khaddafi.”
Samen met een bejaarde Libische schaapsherder, die Osama heette reden we per taxibusje naar de grens. De reis duurde drie uur en toen we aankwamen, was ik kotsmisselijk. Eerst passeerden we Tunesische militairen met geweren. Ze bekeken onze paspoorten, haalden alle spullen uit onze tassen en vroegen wat we eigenlijk van plan waren. Nou, we gingen naar Libië.
Een paar honderd meter verder stonden hekken en Libische militairen. Ze droegen zwarte uniformen en zeiden dat het ramadan was. Dat wisten we inmiddels. We moesten al onze bezittingen uitstallen op een bankje. Mijn laptop en de videocamera van Andreas verdwenen met twee militairen in een hok. De andere drie ondervroegen ons.
Waarom we geen visum hadden?
Wat we in Libië kwamen doen?
Of we sigaretten hadden?
Onze paspoorten werden bladzijde voor bladzijde gekopieerd en doorgefaxt naar het hoofdkwartier in Libië, waar vanwege de Ramadan niemand aan het werk was. Een militair met een grote snor nam me mee naar zijn kantoor. Hij sprak slecht engels. Op de tafel tussen ons in stond een telefoon. Pas als het hoofdkwartier belde dat het goed was, mochten we weg.
Dat telefoontje kwam niet.
“Hoe lang duurt de ramadan eigenlijk nog?”, vroeg ik toen het donker werd.
Na het antwoord – “In Libië langer dan in Tunesië” – had ik het gehad. Misschien konden we maar beter gewoon weggaan. Terug naar Tunesië. Naar een hotel met een bad. Ik moest alleen nog even mijn spullen ophalen. Ik stond op. De militair met de snor reageerde niet. Logisch, hij wachtte tot de telefoon zou gaan.
Ik liep naar het bankje, waarop onze spullen lagen uitgestald en begon ze langzaam in mijn tas te stoppen.
“Wat doe jij nu?”, vroeg Andreas.
“Ik wil weg”, zei ik. “Jij spreekt arabisch. Vraag jij even of ik mijn laptop terug mag?”
Met dat arabisch bleek het bij nader inzien wel mee te vallen. Eigenlijk kon hij alleen ‘goedemorgen’, ‘god zij met u’ en ‘achter de sluier zit een mooi gezicht’ zeggen. Niet dat het uitmaakte, we hadden een nieuw probleem: we mochten niet terug naar Tunesië, want ook daar namen ze vanwege de ramadan geen telefoons meer op. We zaten tussen niets en nergens te wachten op een telefoontjes, die nooit zouden komen. De stemming daalde.
Af en toe kwamen de Libische grenswachters om een sigaret vragen. De telefoon van Andreas ging. Het was zijn dochter van negen. Het ging over een navelpiercing, die zijn vrouw wilde laten zetten.
“Je belt echt heel ongelegen…”, zei Andreas.
Een van de Libische militairen kwam mij vragen waar mijn reisgenoot het over had.
“O business”, zei ik.
Het was inmiddels nacht. De kwestie met de navelpiercing was opgelost, toen twee Libiers kwamen zeggen dat Tunesië had gebeld. We mochten terug. We moesten ons melden bij een hokje.De meneer daar begon al mijn voornamen voor te lezen. Of ik dat was?
“Ja”, zei ik.
“Why?”, vroeg de man.
Ik wist echt geen antwoord.
Een politie-auto met twee agenten met spiegelende zonnebrillen bracht ons terug naar Sfax. Onderweg werd niets gezegd. We moesten inchecken bij het Mercur-hotel. Daar moesten we blijven tot de dag dat we terug zouden vliegen. Op die dag kregen we ook onze paspoorten terug.
In Sfax maakten we het einde van de Ramadan mee. Het werd gevierd door met geweren in de lucht te schieten. ‘s Avonds gingen we naar de oude binnenstad, waar iedereen sokken verkocht aan iedereen. In het theehuis werden we aangeklampt door een man die Basib heette. Hij sprak een beetje Duits en zei: “Wilkommen in Sfax!”
Daarna begon hij over een kamelensafari, die hij eens per week organiseerde voor toeristen en andere vreemdelingen die in Sfax waren beland. “Eine Sensation!”
We besloten het te doen.
De volgende dag meldden we ons bij een stal aan de rand van de stad. Er waren tien kamelen. We mochten kiezen. De kameel van Andreas heette Tom Cruise. De mijne Elvis. Elvis stonk. En nog een probleem: hij wilde niet lopen. Basib gaf me een grote stok en legde uit hoe het werkte. Een klap tegen de zijkant van het beest betekende ‘laufen‘ en na een stevige ruk aan het touw dat in zijn mond zat, zou het beest stoppen. Ik tikte met mijn stok tegen Elvis, maar er gebeurde niets. Basib moest lachen en deed voor hoe het moest: hard.
Geëscorteerd door Basib, die zelf op een klein paardje reed, verkenden we de omgeving. Onderweg vroeg Basib of ik een tapijt wilde. Nee, ik wilde geen tapijt. Parfum dan? Ook niet. Of hij dan straks mijn schoenen mocht poetsen? Ik zei hem dat ik zelf mijn schoenen poetste. Hij bekeek mijn schoenen.
Tom Cruise had diaree, waardoor Andreas steeds op een achterstand werd gezet. Af en toe racete Basib naar achteren om met zijn stok poep- en plaspauzes te onderbreken. We begonnen een hekel aan onze dierenvriend te krijgen.
Na een uur stopten we bij een grote olijfboom. Daar zaten vrienden van Basib. Ze trakteerden op wijn en hadden een jeep vol tapijten, tassen, jassen en houtsnijwerk meegenomen. De producten werden eerst voorzichtig voor onze voeten gelegd, maar later, toen bleek dat we alleen in de wijn geïnteresseerd waren, op de grond gesmeten. In de verte naderden nog drie kamelen. Daarop zaten alle andere toeristen, die in Sfax verbleven. Het waren er drie en ze waren alledrie lid van de Nederlandse Vereniging van Belangstellenden in het spoor- en tramwezen.